Conclusie
1.Inleiding
2.Eerste middel
3.Tweede middel
Ten aanzien van feit 3:
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift, medeplegen van het doen opnemen van een valse opgave in een authentieke akte, en het plegen van gewoontewitwassen. Het betrof onder meer het valselijk opnemen van een niet-bestaand btw-nummer in een notariële akte van koop en levering, met het oogmerk deze akte te gebruiken alsof de opgave waar was.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had vastgesteld dat het btw-nummer in de akte een feit betrof waarvan de waarheid door de akte moest blijken, en dat het nummer niet bestond ten tijde van het opmaken van de akte. Het cassatieberoep tegen deze bewezenverklaring faalde. Wel stelde de Hoge Raad vast dat het oordeel van het hof dat de geldbedragen en onroerende goederen waarvan sprake waren afkomstig uit valsheid in geschrift en niet-ambtelijke omkoping onvoldoende was gemotiveerd en onbegrijpelijk was, met name omdat niet was vastgesteld dat verdachte ten tijde van de betalingen als lasthebber optrad en dat de geldbedragen daadwerkelijk uit niet-ambtelijke omkoping afkomstig waren.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest voor het onderdeel gewoontewitwassen en de strafoplegging daarvan, en verwees de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde behandeling. Voor het overige werd het cassatieberoep verworpen.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor het onderdeel gewoontewitwassen en de zaak wordt terugverwezen, het cassatieberoep wordt voor het overige verworpen.