Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het eerste middel
Het in de wette
lijke vorm opgemaakte proces-verbaal, (als bijlage op pagina’s 5-8 van het proces-verbaal, genummerd PL0900-2017354214), voor zover inhoudende –zakelijk
weergegeven –als verklaring van aangever [betrokkene 1] :
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, (als bijlage op pagina 18 van het proces-verbaal, genummerd PL0900-2017354214), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –als bevindingen van verbalisanten:
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, (als bijlage op pagina ’s 29-35 van het proces-verbaal, genummerd PL0900-2017354214), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –als verklaring van verdachte:
Standpunt verdediging
“niet zonder meer van uit had mogen gaan dat het bezit van de rolluiken door de aangever was prijsgegeven met het oogmerk om zich van zijn eigendom te ontdoen”,niet onbegrijpelijk. Uit die vaststellingen blijkt weliswaar dat de aangever de rolluiken op een paadje buiten zijn eigen tuin had gelegd, maar uit die vaststellingen blijkt ook dat dat paadje zich vlak achter zijn tuin bevond en dat aan de andere kant van het voetpad bossages waren. [1] Daarmee heeft het hof vastgesteld dat de aangever de rolluiken niet op een plek heeft neergelegd waarvan voorbijgangers mogen aannemen dat de eigenaar er afstand van heeft gedaan, [2] zoals bijvoorbeeld wel het geval is bij aan de straat gezet grof vuil. [3] Gelet daarop is ook het oordeel van het hof dat de verdachte
“dit nader had moeten onderzoeken door bijvoorbeeld navraag te doen”niet onbegrijpelijk. Het middel faalt voor zover het hierover klaagt.
“dat het rolluik op gemeentegrond lag en dat hij het dus mocht pakken”en
“dat die mensen het rolluik maar ergens anders hadden moeten neerleggen”. Deze passages zijn niet-redengevend voor de bewijsvoering van feit 2 en feit 3. In de regel leidt die constatering tot cassatie. Enkel wanneer de Hoge Raad de betreffende passages van ondergeschikte betekenis acht en het belang van de verdachte bij een cassatie onvoldoende zwaarwegend acht, zal hij hieraan voorbij (kunnen) gaan. [4] Ik meen dat uit het navolgende blijkt dat zo’n situatie zich hier – met name ook in verband met het tweede feit – niet voordoet.
mochtuitgaan in het kader van het prijsgeven van de eigendom door de aangever. Zoals ik hiervoor reeds heb uiteengezet, heeft het hof mijns inziens niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de verdachte er niet vanuit mocht gaan dat de aangever zich van de eigendom van de rolluiken wilde ontdoen. Voor het bewijs van het in art. 310 Sr Pro bedoelde opzet is echter vooral van belang waarvan de verdachte
daadwerkelijk is uitgegaan. Het hof leidt uit de enkele omstandigheid dat de verdachte heeft nagelaten om navraag te doen bij de aangever, af dat hij
bewustde aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de goederen niet door de aangever waren weggegooid. Deze bewuste aanvaarding blijkt echter in het geheel niet uit de bewijsvoering; daaruit blijkt – als gezegd – dat de verdachte juist niet heeft getwijfeld over het prijsgeven van de eigendom van de rolluiken door de aangever. Daarmee heeft het hof het onder 2 bewezenverklaarde opzet en tevens het onder 3 bewezenverklaarde opzet ontoereikend gemotiveerd.
oogmerk van wederrechtelijke toe-eigeningbij de verdachte ontbreekt en daarmee de tenlastegelegde poging tot diefstal ontoereikend is gemotiveerd en (ii) dat niet kan worden bewezen dat de verdachte
bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaarddat hij rolluiken heeft vernield die aan iemand (anders) toebehoorden. Het hof heeft dit verweer verworpen door – kort gezegd – te overwegen dat het “
minst genomen de voorwaardelijke opzet bewezen” acht, en dat daarmee wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte de tenlastegelegde poging tot diefstal heeft gepleegd, en dat in het verlengde hiervan ook wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte de tenlastegelegde vernieling heeft gepleegd. Het voorwaardelijk opzet waarop het hof hier doelt, ziet op de wederrechtelijke toe-eigening. Het hof verwerpt immers het verweer dat het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening bij de verdachte ontbreekt, waarbij het hof oordeelt dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de goederen niet door de aangever waren weggegooid. Deze overweging van het hof is echter onverenigbaar met de beslissing omtrent de bewezenverklaring. [5] In de bewezenverklaring gaat het immers om het
oogmerktot wederrechtelijke toe-eigening van de rolluiken. Voorwaardelijk opzet is niet te verenigen met oogmerk. [6]
3.Het tweede middel
Voorwaardelijk verzoek
Voorwaardelijk verzoek tot benoemen gedragsdeskundige
Strafbaarheid van de verdachte