Conclusie
middelklaagt dat het hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep, althans dat het hof de niet-ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep onvoldoende en/of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd. Aangevoerd wordt dat in het onderhavige geval de termijn van veertien dagen voor het instellen van hoger beroep pas is gaan lopen vanaf het moment waarop zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is, zoals neergelegd in art. 408, tweede lid, Sv, nu de inleidende dagvaarding niet aan de verdachte in persoon is betekend (art. 408, eerste lid aanhef en onder a, Sv). Aangezien het hof enerzijds heeft vastgesteld dat de verdachte de Nederlandse taal niet machtig en bovendien analfabeet is en anderzijds de mogelijkheid heeft opengelaten dat kennisneming op een latere dag dan 21 juni 2018 heeft plaatsgehad, zou het oordeel van het hof dat het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingesteld onbegrijpelijk zijn en de beslissing tot niet-ontvankelijkheid onjuist.
In het kader van de ontvankelijkheid van het hoger beroep heb ik een getuige meegenomen. Ik verzoek om deze getuige te horen.
[getuige] ,geboren op [geboortedatum] 1971
,de moeder van de dochter van verdachte, verklaart - zakelijk weergegeven - :
[…]”
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Door het hof is vastgesteld dat de moeder van zijn dochter, ter zitting van het hof als getuige aanwezig, de Nederlandse taal voldoende beheerst.
Art. 366 Sv Pro
[...]
3. De mededeling vermeldt de rechter die het vonnis heeft gewezen, de dagtekening van het vonnis, de benaming van het strafbaar feit met vermelding van de plaats en het tijdstip waarop het zou zijn begaan, en voor zoveel in het vonnis vermeld, naam en voornamen, geboortedatum en -plaats, en de woon- of verblijfplaats van de verdachte.
4. Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt hem tevens een schriftelijke vertaling van de mededeling in een voor hem begrijpelijke taal verstrekt.”
Art. 408 Sv Pro
Stb. 2013, 85 tot implementatie van Richtlijn nr. 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (
PbEUL 280). Deze wet is in werking getreden op 1 oktober 2013 (
Stb. 2013, 268). Ik wijs hier op art. 3 van Pro deze richtlijn, dat, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in de Nederlandse vertaling het volgende inhoudt:
Recht op vertaling van essentiële processtukken
NJ2020:326, m.nt. Ouwerkerk deed zich een vergelijkbare zaak voor. [2] In zijn conclusie die aan dit arrest voorafging, besprak mijn ambtgenoot Keulen uitgebreid de parlementaire totstandkomingsgeschiedenis van de Wet van 28 februari 2013,
Stb. 2013, 85 alsmede de voor dit onderwerp relevante rechtspraak van het Hof van Justitie [3] en de Hoge Raad. Ik verwijs daarvoor naar zijn conclusie en citeer daaruit: