Conclusie
Inleiding
Bewezenverklaringen, bewijsvoering en pleidooi
[benadeelde] :
[verdachte] :
het hof begrijpt: 13 juli 2017) een conflict met [benadeelde] . Hij kwam vandaag toch naar mijn woning. Hij stapte in zijn auto en ik ben weer naar binnen gegaan en ben vervolgens via de achterdeur naar de achterzijde van mijn huis gelopen. Ik verwachtte dat hij daar weer langs zou komen en inderdaad hij kwam met zijn auto aanrijden. Ik had van binnen vandaan een vuisthamer meegenomen en toen ik hem met zijn auto aan zag komen, heb ik die vuist[hamer] in de richting van zijn auto gegooid. Ik zag en hoorde dat die hamer, op zijn voorruit terecht kwam en dat die ruit kapot ging.
Nadere bewijsoverweging
nietingetreden gevolg teweeg te brengen.
Het eerste middel
aanmerkelijkheidvan de kans dat door het handelen van de verdachte glassplinters aan de binnenkant van de auto in de ogen van de verdachte zouden kunnen komen; (ii) het hof heeft niets vastgesteld over de
wetenschapvan de verdachte van die (aanmerkelijke) kans; en (iii) het hof heeft niets vastgesteld of overwogen over de
bewuste aanvaardingvan die aanmerkelijke kans door de verdachte van het scenario van een mogelijke verwonding door glassplinters. De steller van het middel meent derhalve dat het oordeel van het hof van een te ruime en dus onjuiste rechtsopvatting omtrent het voorwaardelijk opzet getuigt indien het van het oordeel is dat daarvoor de vaststelling van het gevaar voor het slachtoffer en de daaraan verbonden kans op zwaar lichamelijk letsel voldoende zijn, althans dat dit oordeel ontoereikend is gemotiveerd. Dat brengt mee, aldus de steller van het middel, dat tevens het voorwaardelijk verzoek tot het doen van een NFI-onderzoek niet op een begrijpelijke wijze is verworpen.
NJ2019/103, m.nt. Wolswijk heeft de Hoge Raad overwogen:
NJ2012/503 m.nt. Keulen, in welke zaak het eveneens ging om het gooien van een glas in het gezicht van een ander. De uit de bewijsmiddelen blijkende omstandigheden waren echter anders dan in HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:122. In de zaak die tot het arrest van 10 januari 2012 heeft geleid, had het hof enkel in aanmerking genomen dat de verdachte opzettelijk een glas in de richting had gegooid van iemand die volgens de verdachte ruzie aan het maken was. Die enkele door het hof in aanmerking genomen omstandigheid vormde volgens de Hoge Raad onvoldoende grond voor het oordeel dat de verdachte zich willens en wetens had blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou bekomen. Die redeneerlijn laat zich mijns inziens doortrekken naar de onderhavige zaak.
Het tweede middel
[…]”
Het derde middel
De benadeelde partij licht de vordering desgevraagd toe, inhoudende:
De raadsman van de verdachte heeft aangegeven de vordering tot schadevergoeding te hoog te vinden. Het vaststellen van het schadebedrag heb ik niet zelf gedaan, dat is door slachtofferhulp gedaan. Sindsdien is er dermate veel voorgevallen, dat ik het gevorderde bedrag handhaaf. Toen [verdachte] opgenomen was in de kliniek, wilde hij zijn hoger beroep intrekken. Zijn raadsman is daar echter niet mee akkoord gegaan, omdat de opgelegde gevangenisstraf problemen zou opleveren voor de behandeling van de verdachte. De verdachte zelf was echter dus blijkbaar wel al akkoord met het betalen van die 750 euro.
[…]
De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotities en vult deze als volgt aan:
[…]
Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij heb ik ten aanzien van de materiële schade geen opmerkingen. Ten aanzien van de immateriële schade merk ik op dat uit jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat er geen sprake is van culpa in causa bij de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij. Mijn cliënt heeft een fout gemaakt, dat heeft hij ook toegegeven, maar ik weiger aan te nemen dat dat tot een dergelijk hoge schadevergoeding dient te leiden.
[…].”
€ 1.385,25 (duizend driehonderdvijfentachtig euro en vijfentwintig cent) bestaande uit € 635,25 (zeshonderdvijfendertig euro en vijfentwintig cent) materiële schade en € 750,00 |(zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te. noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.”
Beoordeling en beslissing rechter
[…]
Het vierde middel
NJ2020/409, m.nt. Ten Voorde ten aanzien van deze vervangende hechtenis heeft overwogen, is het middel terecht voorgesteld.