Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
1 oktober 2013.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De Hoge Raad beoordeelde het middel van cassatie voorgesteld door de raadsman van de verdachte en concludeerde dat het middel niet tot cassatie kon leiden.
De Hoge Raad constateerde ambtshalve dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. De opgelegde straf bestond uit een geheel voorwaardelijke geldboete van € 300,-, subsidiair zes dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaar.
Gezien de lichte aard van de straf en de mate van termijnoverschrijding zag de Hoge Raad geen aanleiding om aan de overschrijding van de redelijke termijn rechtsgevolgen te verbinden. Het beroep werd daarom verworpen en het arrest van het gerechtshof bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de straf blijft een geheel voorwaardelijke geldboete van €300 met subsidiaire hechtenis.