Conclusie
1.Overzicht
BNB2020/142 enz. [1] ).
BNB2020/142 [2] , en/of art. 81 Wet Pro RO.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
Règlement Interieurvan het Administratief Centrum.
3.Het geding in cassatie
verweerwijst de Svb er op dat u ex art. 78(4) RO kennis neemt van cassatieberoepen tegen uitspraken van de bestuursrechter voor zover bij de wet bepaald en dat art. 53(1) AOW en de overeenkomstige bepalingen in de Anw, de AKW en de WLZ cassatieberoep tegen uitspraken van de CRvB openstellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van de bepalingen inzake verzekering onder die wetten en van daarop berustende bepalingen. Geen cassatieberoep staat open tegen de feitenvaststelling door de CRvB, noch tegen vormverzuimen zoals onvoldoende motivering.
repliekbetoogt de belanghebbende, voor zover hier van belang, dat cassatie ex art. 53(1) AOW c.a. wel degelijk open staat omdat de artt. 11 en 13 RVV beide het bij of krachtens art. 6 AOW Pro (en aanvullende wetten) bepaalde een ruimere of beperktere werking geven. Onder meer de cassatiemiddelen (iii) en (iv) zien op EU-recht op grond waarvan aan art. 6 AOW Pro (en aanvullende wetten) een beperktere werking wordt gegeven.
dupliekweerspreekt de Svb dat Nederland en Luxemburg van mening zouden verschillen over de toepasselijke wetgeving. Verder merkt de Svb op dat art. 13 RVV Pro restrictief moet worden uitgelegd omdat het de de mogelijkheid biedt tot uitzonderingen op dwingend recht (de artt. 11 en 12 RVV). De bevoegdheid om af te wijken van artt. 11 en 12 RVV komt pas aan de autoriteiten toe als dit in het sociale-verzekeringsbelang van Rijnvarenden is. Het belang van Rijnvarenden is aldus een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde voor toepassing van art. 13 RVV Pro.
4.Beoordeling
BNB2020/142 enz. [7] ).
nadatdie aanwijsregels zijn uitgelegd en toegepast, en dus al vaststaat welke lidstaat exclusief bevoegd is, maar de betrokken lidstaten op die reguliere, uiteindelijk door de rechter te beslechten aanwijzing om beleidsmatige redenen wensen af te wijken. Wel kunt u ingrijpen als twee Staten een uitzondering zouden maken tegen de wil van de verzekerde(n) en deze stelt/stellen dat die uitzondering leidt tot een resultaat dat niet verenigbaar is met de genoemde inter- en supranationale rechtsregels, met name niet met rechtstreeks werkende grondrechtelijke bepalingen.
shoppennaar een verzekeringsstelsel in enige lidstaat B dat hen om om welke reden dan ook beter uitkomt dan het door de wet en EU-recht voor hen aangewezen stelsel.
overridingvan een van de in de cassatiebepalingen genoemde nationaalrechtelijke wetsartikelen die de verzekeringsplicht bepalen.
Allerechtsregels, ook de inter- en supranationale, wijzen immers naar Nederland.
mutual agreement procedures- wel
in accordance withhet Rijnvarendenverdrag is gehandeld. Zouden twee of meer Staten menen dat de door de Rijnvaartverklaring aangewezen scheepsexploitant in hun jurisdictie is gevestigd, dan wordt de
reguliereverzekeringsplicht ex het RVV wél (mede) bepaald door (de uitkomst van) een overlegprocedure dáárover (maar dat is dus een andere soort procedure) en zou tegen een uitspraak over een besluit over die overlegprocedure wellicht wel cassatie open moeten staan. Maar dan gaat het niet om een discretionaire
uitzonderingop het RVV, maar om de vraag welke Staat dwingend
regulierdoor het RVV wordt aangewezen (dat kan men wél ‘regularisatie’ noemen).
5.Conclusie
BNB2020/142 en/of art. 81 Wet Pro RO.