Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt over het oordeel van het hof dat kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden, nu de behandeling in eerste aanleg en in hoger beroep binnen drie jaren is afgerond.
tweede middelklaagt dat het hof (door onder meer partiële bevestiging van het vonnis) ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen ten onrechte vervangende hechtenis heeft opgelegd.
derde middelklaagt terecht dat de redelijke inzendtermijn is overschreden doordat de stukken van het geding op 30 april 2020 ter griffie van de Hoge Raad zijn ingekomen, nadat op 11 oktober 2019 namens de in deze zaak voorlopig gehechte verdachte beroep in cassatie is ingesteld. De stukken zijn niet binnen 6 maanden naar de griffie van de Hoge Raad gezonden en een bijzonder voortvarende afdoening door de Hoge Raad waardoor de inbreuk voldoende wordt gecompenseerd, behoort niet meer tot de mogelijkheden. Dit dient te leiden tot strafvermindering.