ECLI:NL:PHR:2021:287

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 februari 2021
Publicatiedatum
24 maart 2021
Zaaknummer
19/04666
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 6:4:20 Sv
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest wegens overschrijding redelijke termijn en vermindert straf

De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin de verdachte werd veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf wegens opzettelijk brandstichten met gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen.

De verdediging stelde meerdere middelen voor, waaronder dat het hof ten onrechte volstond met de constatering van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep zonder bijzondere omstandigheden aan te wijzen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof een onjuiste rechtsopvatting hanteerde door te stellen dat vanwege de totale duur van de berechting binnen drie jaar de overschrijding zonder gevolgen kon blijven.

De Hoge Raad stelt dat overschrijding van de redelijke termijn in beginsel leidt tot strafvermindering, tenzij bijzondere omstandigheden dit niet rechtvaardigen. Het hof heeft deze bijzondere omstandigheden niet voldoende gemotiveerd. Daarnaast is vastgesteld dat de stukken voor cassatie niet tijdig zijn ingediend, wat eveneens leidt tot een overschrijding van de redelijke termijn bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad vernietigt daarom het bestreden arrest voor zover het de strafoplegging betreft en vermindert de straf wegens de inbreuk op het recht op een redelijke termijn. Tevens wijst de Hoge Raad dat in plaats van vervangende hechtenis gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast bij schadevergoedingsmaatregelen. De overige onderdelen van het arrest blijven in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor de strafoplegging en vermindert de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/04666
Zitting2 februari 2021 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 11 oktober 2019 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch wegens “opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd zoals in het arrest omschreven.
Namens de verdachte hebben mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.
Het
eerste middelklaagt over het oordeel van het hof dat kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden, nu de behandeling in eerste aanleg en in hoger beroep binnen drie jaren is afgerond.
Ter terechtzitting in hoger beroep van 27 september 2019 is namens de verdachte in verband met de overschrijding van de redelijke termijn het volgende aangevoerd:
“Zou u komen tot een bewezenverklaring, dan wijs ik op de overschrijding van de redelijke termijn. Het vonnis is van augustus 2017, dus ruim twee jaar geleden. De vertraging is niet op het conto van cliënt te schrijven. Er dient compensatie te volgen.”
5. In het bestreden arrest heeft het hof met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep het volgende overwogen:
“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat de overschrijding van de redelijke termijn dient te worden verdisconteerd in de op te leggen straf.
Met betrekking tot het procesverloop overweegt het hof het navolgende.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak, waarin de verdachte in voorlopige hechtenis verkeert, te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt heeft voorts te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen 16 maanden nadat hoger beroep is ingesteld.
In onderhavige zaak is het hof gebleken dat de redelijke termijn in de fase van hoger beroep is overschreden. Namens de verdachte is op 6 september 2017 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof bij arrest van heden, 11 oktober 2019 – en derhalve niet binnen 16 maanden na het instellen van hoger beroep – arrest wijst. Gelet hierop is er een overschrijding van ruim 9 maanden.
Gelet op de voortvarende behandeling van onderhavige zaak in eerste aanleg, waarbij de verdachte op 2 november 2016 voor het eerst in verzekering is gesteld, nadien in vrijheid is gesteld op 4 november 2016, voor de tweede maal in verzekering is gesteld op 7 maart 2017, sinds 10 maart 2017 in voorlopige hechtenis verkeert en de rechtbank op 24 augustus 2017 vonnis heeft gewezen, heeft de totale berechting in de twee feitelijke instanties nog geen 3 jaren geduurd. In die periode verblijft verdachte sinds 10 maart 2017 in voorlopige hechtenis, een periode van 31 maanden en 1 dag. Vanwege de duur van de totale berechting is het hof van oordeel dat kan worden volstaan met de enkele constatering dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
Alles overziend is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden is.”
6. In de onderhavige zaak heeft het hof vastgesteld dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep van ruim 9 maanden. Geklaagd wordt over het oordeel van het hof dat vanwege de duur van de totale berechting kan worden volstaan met de enkele constatering van deze overschrijding. Dit oordeel getuigt volgens de steller van het middel van een onjuiste rechtsopvatting omdat het hof geen bijzondere omstandigheden heeft aangewezen op grond waarvan een geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn zonder gevolg kon blijven.
7. Bij de beoordeling van het middel dient om te beginnen voorop te worden gesteld dat het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, door de Hoge Raad (als cassatierechter) slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst. [1] De stellers van het middel klagen in feite dat het oordeel van het hof dat aan de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep geen gevolg behoeft te worden verbonden, zonder dat het hof daarvoor bijzondere omstandigheden heeft aangewezen, niet zonder meer begrijpelijk is. Ik zal het middel daarom zo opvatten.
8. Verder dient het volgende te worden vooropgesteld. Indien de verdachte in voorlopige hechtenis verkeert, is bij de berechting van de zaak zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in de regel sprake van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM indien de behandeling van de zaak ter terechtzitting niet binnen zestien maanden na de aanvang van de redelijke termijn respectievelijk het instellen van het rechtsmiddel is afgerond met een einduitspraak. [2] Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. De vermindering van de straf is afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. Het staat de rechter evenwel vrij om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – te volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM. [3] Wanneer de Hoge Raad zelf als feitenrechter optreedt, zal hij onder de volgende omstandigheden van deze mogelijkheid gebruikmaken:
(i) het gaat om een geheel voorwaardelijke straf;
(ii) het gaat om een straf waarvan het onvoorwaardelijk gedeelte minder beloopt dan een maand in geval van een gevangenisstraf of hechtenis, honderd uren in geval van een taakstraf,
(iii) een straf of maatregel is opgelegd die zich naar haar aard niet leent voor vermindering, zoals de levenslange gevangenisstraf of de terbeschikkingstelling en de plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders. [4]
9. Het hof heeft vanwege de totale duur van de berechting in twee instanties van minder dan drie jaren, geoordeeld dat ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep met ruim 9 maanden kan worden volstaan met de enkele constatering dat er sprake is van deze overschrijding van de redelijke termijn. Dit oordeel is niet zonder meer begrijpelijk. [5] Uit HR 30 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV5019, volgt dat bijzondere omstandigheden weliswaar kunnen rechtvaardigen dat wordt volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn in een bepaalde fase van het strafproces is overschreden, maar dat de omstandigheid dat uit de totale duur van de berechting in twee instanties blijkt dat overigens voldoende voortvarend is gehandeld bij de afdoening van de strafzaak, niet als een zodanige bijzondere omstandigheid kan worden aangemerkt. [6]
10. Het middel slaagt. De Hoge Raad kan de zaak in dit opzicht om doelmatigheidsredenen zelf afdoen. [7]
11. Het
tweede middelklaagt dat het hof (door onder meer partiële bevestiging van het vonnis) ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen ten onrechte vervangende hechtenis heeft opgelegd.
12. Voor zover het middel is gebaseerd op de veronderstelling dat het hof het vonnis in eerste aanleg partieel heeft bevestigd, berust het op een verkeerde lezing van het arrest. Het hof heeft het vonnis waarvan beroep immers vernietigd en opnieuw recht gedaan.
13. Gelet op HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914, is het middel voor het overige terecht voorgesteld. De Hoge Raad kan bepalen dat telkens in plaats van vervangende hechtenis gijzeling van gelijke duur zal worden toegepast.
14. Het
derde middelklaagt terecht dat de redelijke inzendtermijn is overschreden doordat de stukken van het geding op 30 april 2020 ter griffie van de Hoge Raad zijn ingekomen, nadat op 11 oktober 2019 namens de in deze zaak voorlopig gehechte verdachte beroep in cassatie is ingesteld. De stukken zijn niet binnen 6 maanden naar de griffie van de Hoge Raad gezonden en een bijzonder voortvarende afdoening door de Hoge Raad waardoor de inbreuk voldoende wordt gecompenseerd, behoort niet meer tot de mogelijkheden. Dit dient te leiden tot strafvermindering.
15. Het middel is terecht voorgesteld.
16. Alle middelen slagen.
17. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf naar de gebruikelijke maatstaf wegens de geconstateerde inbreuk op het in art. 6 EVRM Pro gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht, en voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers telkens vervangende hechtenis is toegepast, tot bepaling dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv Pro telkens gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,
2.Vgl. HR 3 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7309,
3.Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,
4.Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,
5.Vgl. HR 20 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8809, HR 30 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV5019 en HR 17 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7760.
6.HR 30 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV5019, r.o. 3.3.
7.Vgl. HR 20 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8809, r.o. 3.7 en HR 17 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7760, r.o. 4.5.