Conclusie
advocaat: K. Teuben
In cassatie gaat het om de uitleg van art. 2.8 lid 3 van het Besluit zorgverzekering. Is het de zorgverzekeraar toegestaan om, in het geval de minister verschillende doseringen van dezelfde werkzame stof als verzekerde geneesmiddelen heeft aangewezen, slechts één of enkele van die doseringen als preferent aan te wijzen?
1.Feiten
(…) Menzis wijst productcategorieën aan voor een periode van anderhalf jaar met de mogelijkheid deze aanwijzing stilzwijgend te verlengen met een periode van 2 jaar indien op de peildatum 1 juli 2020 de prijs van een product in de G standaard van juli 2020 per eenheid de laagste of de een na laagste is. (…)
dat een zorgverzekeraar binnen een groep van gelijke medicijnen (middelen met dezelfde werkzame stof en dezelfde dosering) een voorkeursmiddel aanwijst’. [3]
Menzis voert al vanaf 2005 preferentiebeleid op geneesmiddelen. Dit beleid houdt in dat Menzis per werkzame stof met dezelfde sterkte en toedieningsweg één of meer producten aanwijst.’ [5]
2.Procesverloop
primairMenzis te gebieden om dat preferentiebeleid buiten werking te stellen en/of op te schorten, en/of de invoering daarvan op 1 januari 2019 op te schorten, en/of te verbieden dat per 1 januari 2019 dat preferentiebeleid wordt gevoerd, en/of te gebieden dat Menzis de inkoopovereenkomsten met apothekers voor 2019 en het Zorginkoopbeleid Farmaceutische Zorg voor 2019 aanpast in de zin dat voor het beoordelen van de preferentiecompliance van apothekers de afgeleverde Vitamine D buiten beschouwing wordt gelaten, en/of te gebieden dat Menzis haar informatievoorziening op haar website ter zake dat preferentiebeleid in overeenstemming brengt met dit vonnis, en/of te gebieden dat Menzis alle behandelaars, apothekers, leveranciers alsook verzekerden adequaat informeert omtrent de in dit vonnis te geven voorziening, met afschriften en de bijbehorende verzendlijst aan de raadsvrouwe van Goodlife, en/of te gebieden dat Menzis haar preferentiebeleid aanpast, door van elke in Nederland geregistreerde sterkte/dosering Vitamine D (Colecalciferol) er ten minste één aan te wijzen, en/of te gebieden dat Menzis alleen een preferentiebeleid ten aanzien van Vitamine D kan dan wel mag voeren, indien zij van elke in Nederland geregistreerde sterkte/dosering Vitamine D (Colecalciferol) er ten minste één aanwijst, alles uitvoerbaar bij voorraad.
Subsidiairis het treffen van de voorziening(en) gevorderd die de voorzieningenrechter in dezen geraden voorkomt. Een en ander onder veroordeling van Menzis in de proceskosten en onder verbeurte van een dwangsom van EUR 15.000 voor iedere dag dat zij in gebreke blijft en/of de overtreding voortduurt.
3.Juridisch kader van de vergoeding van geneesmiddelen
‘regeling van een sociale verzekering voor geneeskundige zorg ten behoeve van de gehele bevolking’. Samenhangend met de verzekeringsplicht hebben zorgverzekeraars een acceptatieplicht (art. 3 Zvw Pro) en mogen zij in hun premie niet differentiëren naar persoon (art. 17 Zvw Pro).
van alle werkzame stoffendie voorkomen in de in Bijlage 1 opgenomen geneesmiddelen, tenminste één geneesmiddel voor de verzekerde beschikbaar is.
en in alle doseringendie voorkomen in de bij ministeriële regeling aangewezen geneesmiddelen, ten minste een geneesmiddel voor de verzekerde beschikbaar is.
medischeuitzonderingssituaties: de uitzondering als bedoeld in art. 2.8 lid 4 Bzv is niet bedoeld om eventuele bijbetalingen door de verzekerde te voorkomen. [33]
De vormgeving van de ziekenfondsverstrekking farmaceutische hulp, zoals die tot nu toe bestond, belemmerde ziekenfondsen in hun mogelijkheden om meer doelmatigheid in de geneesmiddelenverstrekking te realiseren. Immers, tot nu toe bestaat in beginsel aanspraak op ieder geregistreerd geneesmiddel in al zijn verschijningsvormen dat met merknaam op een lange aansprakenlijst, te weten bijlage 1 van de Regeling farmaceutische hulp 1996 is vermeld; de voorschrijver bepaalt welk middel van de bijlage of werkzame stof hij voorschrijft, de afleveraar en de verzekerde bepalen binnen de mogelijkheden van het recept zelf welk geneesmiddel afgeleverd wordt. (…) Om ziekenfondsen de mogelijkheid te geven bepaalde farmaceutische zorg in te kopen, is met dit besluit aan het Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering een bepaling toegevoegd op grond waarvan het ziekenfonds bevoegd is voor (een of meer) groepen van werkzame stoffen te besluiten dat zijn verzekerden niet langer de «keuze» hebben uit alle geneesmiddelen met die werkzame stof, maar slechts aanspraak hebben op het geregistreerde geneesmiddel dat of de geregistreerde geneesmiddelen die door het ziekenfonds zijn aangewezen. Deze maatregel biedt het ziekenfonds de mogelijkheid om kostenbesparing te realiseren door zich actief met de inkoop via de prijsstelling of in de keuze van een preferent geneesmiddel bezig te houden.(…)”
Doordat een verzekerde niet langer aanspraak heeft op alle geregistreerde producten met een bepaalde werkzame stof, maar op één of enkele van die producten, kan een ziekenfonds de verzekerde «binden» aan een goedkoper middel dat volledig gelijkwaardig is aan het duurdere specialité of generieke middel. Echter, elke verzekerde moet kunnen rekenen op een pakket dat dezelfde therapeutische breedte dekt. Met andere woorden, alle verzekerden, bij welk ziekenfonds ook ingeschreven, moeten bij dezelfde aandoening kunnen rekenen op farmaceutische hulp voor rekening van de ziekenfondsverzekering. Daarom is geregeld dat het ziekenfonds voor zijn verzekerden van elke werkzame stof ten minste één geregistreerd geneesmiddel moet aanwijzen.”
De heer Buijs onderschrijft de doelstelling van de minister, het zo doelmatig mogelijk beheersen van de kosten van de geneesmiddelenvoorziening, maar op een viertal punten heeft zijn fractie bezwaren tegen het voorliggende verstrekkingenbesluit:
De huisarts heeft en houdt het recht om af te wijken, als hij van oordeel is dat de patiënt een specialité nodig heeft of een bijzondere toedieningsvorm. De apotheker heeft de huisarts die het bijzondere middel voorschrijft, daarin te volgen.”
Doordat verzekerden (per werkzame stof) in beginsel slechts aanspraak hebben op geneesmiddelen die door de verzekeraar zijn aangewezen, kan deze ervoor zorgen dat de minst dure geneesmiddelen worden vergoed, of dat alleen die geneesmiddelen worden vergoed waarvoor de zorgverzekeraar een lagere prijs heeft weten te bedingen. (…) Als uitgangspunt geldt dat de keuzevrijheid van patiënt en arts niet wordt aangetast. Er wordt immers per werkzame stof altijd tenminste één geneesmiddel vergoed. Bovendien worden ook andere dan de aangewezen geneesmiddelen vergoed wanneer de arts deze voorschrijft en dat om medische redenen noodzakelijk is. (…)
verplichtingen niet slechts van een bevoegdheid om geneesmiddelen aan te wijzen. De zorgverzekeraar moet dus bewust beslissen welke geneesmiddelen hij in het basispakket wil opnemen. Daarmee wordt de regierol van zorgverzekeraars extra benadrukt, zo is vermeld in de nota van toelichting bij het Bzv. [45]
Om de beoogde regierol van zorgverzekeraars extra te benadrukken, is de bepaling, anders dan in het Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering, zo geformuleerd dat de zorgverzekeraar bewust een beslissing moet noemen over de middelen die hij in de zorgpolis wil opnemen. Dat wil niet zeggen dat hij persé een selectie moet maken uit de bij ministeriële regeling aangewezen middelen. Hij kan er voor kiezen om alle middelen aan te wijzen. Hij kan ook bijvoorbeeld alle middelen aanwijzen op een enkele uitzondering na. Hij kan voorts geleidelijk aan meer keuzen maken. Zijn aanwijzing is wel aan dezelfde beperkingen onderhevig als onder de ziekenfondsverzekering. In het derde lid is, net zoals dat in artikel 9a, tweede lid, van het Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering geregeld was, namelijk geregeld dat de zorgverzekeraar van elke werkzame stof ten minste één middel moet aanwijzen. Elke verzekerde moet namelijk kunnen rekenen op een geneesmiddelenpakket in zijn zorgpolis dat dezelfde therapeutische breedte dekt. Met andere woorden, alle verzekerden moeten bij dezelfde aandoening kunnen rekenen op farmaceutische zorg voor rekening van zijn zorgverzekering.”
doseringenvan een bepaalde werkzame stof. Zo is het in de onderhavige procedure aan de orde zijnde geneesmiddel colecalciferol onder de merknaam Benferol opgenomen voor capsules van achtereenvolgens 1000 IE, 25000 IE, 50000 IE en 5600 IE.
nietvereist dat sprake is van dezelfde werkzame stof. Met andere woorden, clustering van geneesmiddelen in Bijlage 1 brengt niet steeds met zich dat de verzekeraar bevoegd is om slechts één van de in hetzelfde cluster opgenomen geneesmiddelen aan te wijzen.
ookzodanig dat die aanwijzing
elke doseringvan de werkzame stof in een geneesmiddelen die in de ministeriële regeling zijn opgenomen.
MSD/Menzis. [52] In die zaak ging het om de vraag of zorgverzekeraar Menzis gehouden was om in het kader van zijn preferentiebeleid een combinatieproduct aan te wijzen, dat twee werkzame stoffen bevat, of dat in plaats daarvan twee monoproducten konden worden aangewezen (in elk waarvan één van de werkzame stoffen voorkomt). Volgens het hof kon volstaan worden met de aanwijzing van de twee monoproducten. Het hof verwierp de opvatting van farmaceut MSD, dat een zorgverzekeraar slechts binnen een groep van identieke geneesmiddelen beperkingen mag aanbrengen. Zie de volgende overwegingen:
4.6 (…) De opvatting van MSD dat een zorgverzekeraar slechts binnen een groep van identieke geneesmiddelen beperkingen mag aanbrengen, dient daarom te worden verworpen. Voor farmaceutische zorg is ‘onderlinge uitwisselbaarheid’ blijkens de tekst en de toelichting op artikel 2.8 Bzv toegespitst op de ‘werkzame stof ’ die in het geneesmiddel voorkomt. Voor de gedachte dat een combiproduct dat twee werkzame stoffen bevat voor de toepassing van artikel 2.8 lid 3 Bzv als niet uitwisselbaar moet worden beschouwd met twee monoproducten in elk waarvan één van die werkzame stoffen voorkomt, bestaat geen aanknopingspunt. (…) Evenmin is er een aanknopingspunt voor de gedachte dat de wetgever ook aan andere elementen dan de werkzame stof voor de toepassing van artikel 2.8 lid 3 Bzv betekenis heeft willen toekennen voor de begrenzing van de aanwijzingsbevoegdheid van de zorgverzekeraar. Artikel 2.8 lid 4 Bzv bevat daarvoor, zoals hiervoor is weergegeven, kennelijk alleen een uitzondering op het derde lid voor het geval dat ondanks dezelfde werkzame stoffen behandeling met het aangewezen geneesmiddel in het concrete geval om andere redenen medisch niet verantwoord zou zijn. (…) De wet noch de toelichting geeft steun aan de opvatting dat preferentiebeleid alleen mogelijk is binnen clusters. Clustering heeft immers een ander doel: het is bedoeld om vergoedingslimieten van geneesmiddelen vast te stellen.”
Als uitgangspunt heeft te gelden dat in het kader van een te voeren preferentiebeleid een zorgverzekeraar in beginsel alleen bevoegd is om van de beschikbare middelen met dezelfde werkzame stof, in dezelfde dosering en toedieningswijze een preferent middel aan te wijzen. (…)”
en dezelfde doseringverstaat. [56]
verder ook identiek zijn en dus volledig – zonder problemen voor de patiënt – onderling uitwisselbaar zijn.’ [57]
VGZ/Nutricia-arrest van de Hoge Raad. [58] Daarin ging het over het uitsluiten van vergoeding of verstrekking van bepaalde
dieetpreparatendoor de zorgverzekeraar. Daarmee is het arrest niet relevant voor de onderhavige zaak: dieetpreparaten vallen op grond van art. 2.8 lid 1, aanhef en onder c Bzv weliswaar onder het begrip ‘farmaceutische zorg’, maar zijn niet aan te merken als geneesmiddel. Dat laatste betekent dat art. 2.8 lid 3 Bzv niet van toepassing is op de vergoeding of verstrekking van dieetpreparaten. [59] Anders dan onder meer in de s.t. aan de zijde van Goodlife wordt verdedigd [60] (en wellicht ook ten grondslag ligt aan de hiervoor aangehaalde standpunten in de literatuur), komt aan het arrest dan ook geen betekenis toe voor de uitleg van art. 2.8 lid 3 Bzv.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.1is het hof bij zijn oordeel dat het voorgenomen preferentiebeleid van Menzis in strijd is met art. 2.8 lid 3 Bzv, uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Anders dan het hof aanneemt staat art. 2.8 lid 3 Bzv er niet aan in de weg dat de zorgverzekeraar – in het geval waarin de minister verschillende doseringen van dezelfde werkzame stof heeft aangewezen als verzekerde prestaties – slechts één of enkel van die doseringen als preferent aanwijst.
subonderdeel 1.3terecht aanvoert dat, anders dan het hof aanneemt (zie hiervoor onder 4.1 sub vii), uitingen op de website van Menzis en de NZa (zie hiervoor onder 1.11 en 1.13) niet kunnen leiden tot een andere uitleg van art. 2.8 lid 3 Bzv, al was het maar omdat die uitingen van zeer algemene aard zijn en niet afkomstig zijn van de minister. Hetzelfde geldt voor wat er staat in het ‘Beleidsdocument Gezamenlijk Preferentiebeleid van de verzekeraars’ (zie onder 1.12).
subonderdeel 1.4, die gericht is tegen de overweging van het hof dat het preferentiebeleid geen afbreuk mag doen aan de voorschrijfvrijheid van de arts, slaagt eveneens. Het hof miskent daarmee dat voor zover een arts van oordeel is dat er een medische noodzaak is om vitamine D in een andere dosering voor te schrijven dan in de dosering van de als preferent aangewezen geneesmiddelen, Menzis op grond van art. 2.8 lid 4 Bzv gehouden is het geneesmiddel te vergoeden (zie onder 3.24-3.26).
subonderdeel 1.6slaagt. Die is gericht tegen de overweging van het hof (zie hiervoor onder 4.1 sub vi) dat het ‘goede gesprek’ tussen patiënt en arts mogelijkerwijs bemoeilijkt zal worden door het voorgenomen preferentiebeleid van Menzis, omdat iedere keer weer discussie moet worden gevoerd of de voorgeschreven dosering al dan niet van invloed is op het bereiken van het behandelingsresultaat. Als gezegd, tast het preferentiebeleid van Menzis de voorschrijfvrijheid van de arts niet aan. Los daarvan ziet het ‘goede gesprek’ waarop het hof hier het doelt (dat ontleend is aan de in deze conclusie onder 1.4 bedoelde brief van de minister van 1 juni 2018), op het verwijderen van de lage doses vitamine D-geneesmiddelen uit het GVS en heeft de opmerking van de minister geen relevantie voor de vraag waarom het in deze procedure gaat.