Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
redenenwaarom het oordeel van het hof onjuist zou zijn, als volgt:
zonderdat de gemeente daarvoor additioneel iets zou hebben behoeven betalen. [vergelijk de bespreking van onderdeel 9]
vanaf 2008oplopende financiële problematiek bij Geveke (welke problematiek los stond van de beroepsfouten), de samenwerking tussen Geveke en de Gemeente zou zijn beëindigd, waarbij de eerder gemeenschappelijk geëxploiteerde gronden door de Gemeente van Geveke zouden zijn overgenomen. Dat is een aan het hof als rechter die over de feiten oordeelt voorbehouden vaststelling. Wat de steller van het middel doet, is in feite niets anders dan ons de versie van de Gemeente van de hypothetische en feitelijke situatie presenteren als
petitio principii.
of zelfs alle kavels(onderdeel 9), reeds in 2008 onbezwaard aan de Gemeente zouden zijn verkocht,
of zelfs om niet aan de Gemeente zouden zijn overgedragen(onderdeel 9). De Gemeente en Geveke waren echter slechts enkele jaren eerder (eind 2005) een gezamenlijke exploitatie begonnen, die ook de bedoelde 16 kavels omvatte. Wie eigenaar van die kavels was, was in economische zin tussen de Gemeente en Geveke daardoor in feite minder van belang; de lasten en baten van de exploitatie deelden zij immers samen op basis van het overeengekomen risicoprofiel. In verband met dit laatste zou ik menen dat als de beroepsfouten achterwege zouden zijn gebleven en dus de notarissen vanaf 2008 erop zouden hebben gewezen dat niet de Gemeente maar Geveke eigenaar was, heel wel denkbaar was geweest dat de door de Gemeente verkochte kavels
door Gevekeaan de kopers zouden zijn geleverd. Eventueel is in rechtsoverweging 5.17 te lezen dat het hof daarvan niet is uitgegaan (het hof zegt daar dat op het moment van de ontdekking van de beschikkingsonbevoegdheid van de Gemeente niet ook de nog niet verkochte kavels door Geveke zouden zijn overgedragen). Dat veronderstelt dan dat in de hypothetische situatie de kavels eerst door Geveke aan de Gemeente en vervolgens door de Gemeente aan de kopers zouden zijn geleverd. Wezenlijk verschil maakt dat mijns inziens nog steeds niet. Wat blijft staan is immers dat partijen alle gronden gezamenlijk exploiteerden en dat volgens de vaststelling van het hof in de hypothetische situatie die gezamenlijke exploitatie niet in 2008 maar eerst in 2012/2013 zou zijn beëindigd, juist zoals dat ook in de feitelijke situatie heeft plaatsgevonden. Daarvan uitgaande is het verschil tussen de hypothetische en feitelijke situatie enkel dat niet reeds vanaf 2008 op de hypotheekschuld van Geveke aan FGH is afgelost. Het hof is op zoek geweest naar aanwijzingen dat het probleem van de hypotheek van FGH geheel of gedeeltelijk voor rekening van de Gemeente is opgelost, maar heeft die niet gevonden. Wat maakt het voorgaande ons duidelijk? Dat het plaatje er pas wezenlijk anders gaat uitzien als moet worden aangenomen dat in de hypothetische situatie niet alleen in 2008 het probleem van de beschikkingsonbevoegdheid van de Gemeente zou zijn opgelost, maar ook toen reeds de gezamenlijke exploitatie zou zijn beëindigd en wel in een zo gunstige zin als de Gemeente stelt (met de hiervoor bedoelde wezenlijke variaties, die mijns inziens niet begrijpelijk zijn toegelicht). Uitgaande van de vaststelling van het hof dat de financiële problematiek bij Geveke vanaf 2008
oplopendwas, en dus in 2008 lang niet zo ernstig als in 2012/2013, dunkt mij dit scenario van beëindiging van de gezamenlijke exploitatie reeds in 2008, aanzienlijk minder aannemelijk dan het door het hof gekozen scenario.
onderdeel 2zijn verschillende klachten opgenomen die alle erop neerkomen dat geen condicio sine qua non-verband bestaat tussen de beroepsfouten en het door het hof vastgestelde voordeel dat de Gemeente heeft genoten als gevolg van de allesomvattende transactie voor zover het de gronden betreft anders dan de 16 onbevoegd verkochte kavels. Het onderdeel richt zich tegen de rechtsoverwegingen 5.6, 5.7, 5.8, 5.10, 5.11, 5.15 en 5.16. Ik verwijs naar de hiervoor 2.5 gegeven samenvatting van die overwegingen, alsook naar die van de tussenliggende overwegingen (5.9 en 5.12, 5.13 en 5.14), die uiteraard voor een goed begrip van de gedachtegang van het hof mede van belang zijn.
Tennet/ABB [4] noch sprake van een voordeel dat zonder de normschending niet zou zijn opgekomen noch maakt het onderdeel uit van de schadebegroting ex art. 6:97 BW Pro.
Tennet/ABB.
onderdeel 7. Ik behandel beide onderdelen daarom samen. Zij richten zich in het bijzonder tegen rechtsoverweging 5.9:
subonderdeel 7.3, dat verwijst naar de door subonderdeel 7.1 vermelde feitelijke stellingen, lees ik niet iets anders dan vergeefse herhalingen van zetten.
werkelijkdoor de Gemeente daarvoor is betaald, ziet zij daaraan ten onrechte voorbij.
subonderdeel 4.1heeft hof miskend dat het in beginsel aan de notarissen is om aannemelijk te maken dat de Gemeente niet alleen schade, maar ook redelijkerwijs toerekenbaar voordeel van de beroepsfout genoten zou hebben.
subonderdeel 4.2heeft het hof miskend dat op de notarissen de stelplicht en bewijslast rust van de stelling dat Geveke in 2008 niet in staat zou zijn geweest om op haar financiering af te lossen.
in 2008niet in staat zou zijn geweest om op haar financiering bij FGH substantieel af te lossen. Aldus gaat de klacht echter uit van de versie van de Gemeente van de hypothetische situatie in plaats van die van het hof (vergelijk hetgeen naar aanleiding van subonderdeel 1.2 is opgemerkt). De klacht van het subonderdeel mist dus feitelijke grondslag.
subonderdeel 4.3komt niet voor rekening en risico van de Gemeente dat zij niet heeft kunnen aantonen of voldoende heeft kunnen onderbouwen dat zij zonder de beroepsfout een nog beter resultaat zou hebben bereikt. Een en ander wordt uitgewerkt in een rechtsklacht en in motiveringsklachten. Daarbij wijst de steller van het middel op de aard en ernst van de door de notarissen gemaakte beroepsfouten.
onderdeel 10richten klachten tegen ’s hofs beslissing in rechtsoverweging 5.21 dat de Gemeente geen aanspraak heeft op vergoeding van de door haar gemaakte interne kosten:
subonderdeel 9.2 [10] betoogt de steller van het middel dat met het hiervoor onder (1) weergegeven oordeel het hof ten onrechte is voorbijgegaan aan diverse feitelijke stellingen, dan wel dat zijn oordeel in het licht van die stellingen onbegrijpelijk is.
alomvattendrecht van hypotheek ten gunste van FGH op alle 31 kavels was gevestigd en Geveke zou ervoor hebben gezorgd dat dit alomvattende hypotheekrecht zou worden afgelost waarvoor de Gemeente niets had hoeven te betalen (onder c, d en e);
allekavels, dus zelfs ook die op de nog niet verkochte, in 2008 zouden zijn geroyeerd. Niet valt in te zien dat onbegrijpelijk is dat het hof hiervan niet is uitgegaan. Het hof was niet gehouden uitdrukkelijk op de bedoelde stellingen in te gaan. Verwerping ervan ligt besloten in de overweging dat geen verplichting tot levering en overdracht bestond en Geveke hiervoor substantieel zou hebben moeten aflossen op haar financiering bij FGH. Ik wijs in dit verband op wat ik hiervoor 3.13 ten overvloede opmerkte.