Conclusie
Nummer20/00214 P
De procesgang in cassatie
Het eerste middel
Het tweede middel
Het derde middel
medeplegen met de rechtspersoon (thans: de betrokkene);
dat [medeverdachte 2] zich schuldig heeft gemaakt aan andere strafbare feiten. Op basis van de bewijsmiddelen is aannemelijk dat [medeverdachte 2] zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan de niet-ambtelijke omkoping van gelden die werden betaald door respectievelijk [A] en [B] .” Bovendien is deze overweging in strijd met de (post-)Geeringsjurisprudentie, alsmede met het feit dat de ontnemingsrechter is gebonden aan het oordeel van de rechter in de hoofdzaak voor zover het betreft de beslissing omtrent de tenlastelegging en de waardering van het bewijs. 's Hofs redenering kan in zoverre geen stand houden, aldus de steller van het middel.
diezaak, waarin ik eveneens vandaag concludeer, heeft het hof overwogen dat [medeverdachte 1] de niet-ambtelijke omkoping niet heeft
medegepleegd met de betrokkene. Het gaat dus niet om een oordeel dat is gegeven in de hoofdzaak tegen de betrokkene zelf. Alleen al om die reden gaat het beroep op de Geeringsjurisprudentie niet op (de betrokkene is immers niet vrijgesproken) en faalt het beroep op de gebondenheid van de ontnemingsrechter aan het oordeel van de rechter in de hoofdzaak omtrent de vragen van artikel 348 en Pro 350 Sv.
medeplegen van (passieve) niet-ambtelijke omkoping door [medeverdachte 1] , die dus wél is veroordeeld voor het
plegenvan dat delict, geen verband houdt met het ontbreken van aanwijzingen tegen de betrokkene. Ik citeer de Hoge Raad:
Het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte het strafbare feit heeft gepleegd tezamen en in vereniging met de rechtspersoon [A] doordat het door hem begane strafbare feit tevens aan die rechtspersoon kan worden toegerekend op de grond dat hij als "feitelijk bestuurder" van [A] moet worden aangemerkt. Aldus heeft het Hof miskend dat de enkele omstandigheid dat de verboden gedraging van de verdachte aan de rechtspersoon kan worden toegerekend, niet kan meebrengen dat de verdachte het strafbare feit tezamen met de rechtspersoon heeft medegepleegd. (…).”
medegepleegd. Waar, zoals in de voorliggende zaak, de natuurlijke persoon ( [medeverdachte 1] ) kan worden vereenzelvigd met de rechtspersoon waarvan hij directeur en enig aandeelhouder is (de betrokkene), kan dus in beginsel niet worden aangenomen dat de natuurlijke persoon en de rechtspersoon ‘voldoende nauw en bewust hebben samengewerkt’. De vereenzelviging van de natuurlijke persoon met de rechtspersoon staat aan ‘hun’ samenwerking in de weg.
onvoldoende aanwijzingen zijn dat ook de betrokkene zich heeft schuldig gemaakt aan de niet-ambtelijke omkoping.
Het vierde middel
in eerste aanlegniet begrijpelijk is, omdat het hof in de strafzaak geen compensatie heeft toegepast vanwege deze overschrijding. Ten aanzien van (2) de schending van de redelijke termijn
in hoger beroepbetoogt het middel dat een rechtsgrond ontbreekt om in de ontnemingszaak te volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden op de grond dat strafvermindering reeds in de strafzaak is toegepast.
in eerste aanlegde periode van twee jaar heeft overstegen, dit, gelet op de complexiteit van de zaak, de vele opsporingshandelingen die zijn verricht en de samenhang met de zaken van de medeverdachten geen schending van de redelijke termijn oplevert. In de ontnemingszaak heeft het hof geoordeeld dat de redelijke termijn
in eerste aanlegwél is geschonden, nu er niet binnen twee jaar na het kenbaar maken van de ontnemingsvordering in eerste aanleg een einduitspraak is gedaan. Het hof overweegt hieromtrent dat kan worden volstaan met de constatering van deze schending, nu de straf- en de ontnemingszaak tegelijkertijd door het hof worden afgedaan en er in de strafzaak reeds compensatie voor het overschrijden van de redelijke termijn plaatsvindt.