Conclusie
middelbetreft de verwerping van het namens de betrokkene gevoerde verweer, strekkende tot matiging van het ontnemingsbedrag wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het hof zou het verweer ten onrechte hebben verworpen, althans op gronden die de verwerping niet kunnen dragen, en (ten onrechte) hebben volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Het hof ziet - anders dan de raadsman en de advocaat-generaal, maar in lijn met de jurisprudentie van de Hoge Raad - geen aanleiding de op te leggen betalingsverplichting te matigen, vanwege het tijdsverloop in hoger beroep. In de strafzaak heeft het hof bij arrest van 1 maart 2016 (parketnummer 21-000961-13) reeds de opgelegde straf gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Derhalve zal in de ontnemingprocedure geen matiging om deze reden meer plaatsvinden en volstaat het hof met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden.”
NJ2008/358 m.nt. Mevis kortingspercentages heeft geformuleerd die Uw Raad als uitgangspunt hanteert indien sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop na de uitspraak waartegen beroep in cassatie is ingesteld. Uw Raad toetst in die fase als feitenrechter. Specifiek voor ontnemingszaken overweegt Uw Raad daarbij dat in bijzondere gevallen kan worden volstaan met ‘het oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM, bijvoorbeeld indien in de (nagenoeg) gelijktijdig behandelde strafzaak strafvermindering wordt toegepast op grond van overschrijding van de redelijke termijn’ (rov. 3.6.3). Wanneer het gaat om tijdsverloop voor de uitspraak waartegen het cassatieberoep zich richt, toetst Uw Raad als cassatierechter. De genoemde kortingspercentages hebben op die situatie geen betrekking. [3]
NJ2008/358 m.nt. Mevis heeft Uw Raad daaromtrent overwogen: ‘Het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal overigens niet licht sprake zijn omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter. (..) Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst’ (rov. 3.7). [4] Uw Raad merkte daarbij ook nog op dat het de feitenrechter vrij staat ‘om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – te volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM; de Hoge Raad wijst in dit verband op de hiervoor onder 3.6 vermelde gevallen’ (rov. 3.23).
NJ2008/358 m.nt. Mevis formuleerde bleek reeds dat Uw Raad in bijzondere gevallen volstaat met het oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6 EVRM Pro, ‘bijvoorbeeld indien in de (nagenoeg) gelijktijdig behandelde strafzaak strafvermindering wordt toegepast op grond van overschrijding van de redelijke termijn’ (rov. 3.6.3). In HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:946 heeft Uw Raad die benadering ook gevolgd bij vertraging die was opgetreden voor de uitspraak waartegen het cassatieberoep zich richtte. Ook de feitenrechter kan van een korting in de ontnemingsprocedure afzien in het licht van een strafkorting in de hoofdzaak. [9] Daarbij geldt mijns inziens niet een strikte eis dat beide uitspraken (nagenoeg) gelijktijdig zijn gewezen. Die beperking komt weliswaar voor in de rechtsoverweging met betrekking tot ontnemingszaken (3.6.3. onder B) die op het volstaan met de enkele vaststelling van een verdragsschending door Uw Raad als feitenrechter ziet, maar daarin formuleert Uw Raad naar het mij voorkomt slechts een voorbeeld. Bij de mogelijkheid dat de feitenrechter met de enkele constatering volstaat, ‘wijst’ uw Raad op de in rov. 3.6 genoemde gevallen (rov. 3.23). Daarmee wordt het verband met de formulering van het voorbeeld mogelijk nog iets losser.