Conclusie
Nummer21/02430 U
Inleiding
charges i, ii, iii, iv, v en vi)” en ontoelaatbaar verklaard “ter fine van strafvervolging van de hiervoor onder 2 genoemde count 7 (in de documenten beschreven als
charge vii)”. [1] Gelet op de onder 2 van de uitspraak weergeven inhoud van het uitleveringsverzoek van 7 september 2015 gaat het bij de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard – kort gezegd – om de verdenking van verschillende vormen van betrokkenheid bij de genocide die in 1994 in Rwanda heeft plaatsgevonden, en wel in de periode van 6 april 1994 tot en met 4 juli 1994 in de
Nyakabanda sectoren
Nyamirambo sector,
Nyarugenge communein de voormalige
Kigali Stad préfecturete Rwanda.
[A]’. Daarnaast was hij lid van de politieke partij ‘
[naam]. Op 8 april heeft hij samen met [betrokkene 1] het bevel gegeven tot het doden van [betrokkene 2] , die met hen werkte bij de Nationale Bank van Rwanda. Voorts hebben zij die dag met een andere collega een lijst opgesteld van Tutsi’s die in
Nyakabandawoonden en deze lijst is aan de
interahamwemilities verstrekt teneinde de personen op de lijst te doden. Daarnaast heeft hij deelgenomen aan diverse aanvallen op Tutsi’s, waaronder een aanval op drie meisjes in
Nyakabanda'ssector office, een aanval waarbij vele Tutsi’s zijn gedood in een huis in
Laetitita in Nyakabanda IIen op kantoren van het Rwandese Rode Kruis in
Nyakabanda. Hij vormde samen met
interahamwemilities een criminele groep met het doel personen en goederen aan te vallen.”
Het eerste middel
4. Beoordeling van de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering
[…]
4.8
(Dreigende) schending van fundamentele mensenrechten
dreigendeinbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer artikel 3 van Pro het EVRM voorbehouden aan de minister. Indien evenwel komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, sprake is van een
voltooideinbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren.
dreigendeschending van artikel 6, eerste lid, van het EVRM en/of artikel 14, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (hierna: IVBPR), in de regel niet aan de uitleveringsrechter is. Hierop kan een uitzondering bestaan indien bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan a) dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een
flagranteinbreuk op enig hem ingevolge deze verdragsbepalingen toekomend recht, en b) dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van Pro het EVRM respectievelijk artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van het IVBPR ten dienste staat. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt echter niet snel dat sprake is van blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Aan een beoordeling van een beroep op een voltooide schending van artikel 6 van Pro het EVRM, komt de uitleveringsrechter bij een uitleveringsverzoek ter fine van strafvervolging niet toe, omdat pas na de berechting in de verzoekende staat kan worden vastgesteld of de mensenrechtenschending niet (meer) vatbaar was voor herstel of compensatie. Dit is overigens anders bij een verzoek tot uitlevering ter fine van strafexecutie, in welk geval de uitleveringsrechter wel dient te beoordelen of sprake is van een voltooide flagrante inbreuk op artikel 6 van Pro het EVRM en /of artikel 14,eerste lid, van het IVBPR.
flagranteschending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM, noch dat de opgeëiste persoon daartegen geen rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van Pro het EVRM ter dienste staat.
Naar het oordeel van de rechtbank is namens de opgeëiste persoon onvoldoende onderbouwd op welke manier de algemene mensenrechtensituatie in Rwanda in deze specifieke zaak zal leiden tot een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM Pro in zijn zaak. De rechtbank constateert dat uit de door de verdediging genoemde rapportages een zorgelijk beeld van de algemene mensenrechtensituatie in Rwanda rijst. Daartegenover staat echter dat op de onderhavige uitlevering de Transfer Law van toepassing is met de daarin opgenomen garanties, hetgeen niet (steeds) het geval is in de rapportages genoemde zaken. Ook blijken uit de monitoringsrapporten van ICJ Kenya in de zaken van eerder door Nederland aan Rwanda uitgeleverde personen ( [betrokkene 1] en [betrokkene 3] ), anders dan de verdediging suggereert, geen directe indicaties dat moet worden gevreesd voor een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM Pro in de zaak van de opgeëiste persoon. Uit die monitoringsrapporten komt naar voren dat er obstakels zijn ten aanzien van onder meer financiering, de mogelijkheden de verdachten te bezoeken in verband met Covid-19 en vertraging in de procedure. Uit deze rapporten blijkt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat de algehele gang van zaken een flagrante inbreuk op het recht op een eerlijk proces oplevert. Verder overweegt de rechtbank in dit verband dat tegen een eventuele schending van het recht op een eerlijk proces een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM Pro openstaat.
de opgeëiste persoondoor zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6, eerste lid, EVRM toekomend recht. Dat oordeel is overwegend feitelijk van aard, want verweven met feiten en omstandigheden die de rechtbank moet beoordelen, en is niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat de verzoekende staat in het uitleveringsverzoek “Fair Trial Guarantees” heeft gegeven. [5]
Het tweede middel
Horen [betrokkene 5]
Individueel ambtsbericht
Gacacarechtbanken. De getuigen die hij zelf sprak omschreven [opgeëiste persoon] als een vriendelijke en toegankelijke man die in 1994 verschillende Tutsi’s had geholpen en zelfs gered. Dit legde de vertrouwensadvocaat vast in het rapport dat hij naar de ambassade stuurde. Later vernam de vertrouwensadvocaat dat de conclusies uit zijn rapport vervormd waren.
in de loop der tijd een vriend van de familie van [opgeëiste persoon] is geworden en zeer goed bevriend is met de zuster van eiser.’ (r.o. 7). De rechtbank miskent dat de vertrouwensadvocaat toen hij zijn onderzoek startte [opgeëiste persoon] en zijn familie niet kende. Dit stelt hij ook duidelijk in zijn verklaring.
[…]
Ontlastende getuigenverklaringen
20. Alhoewel [opgeëiste persoon] zich realiseert dat uw rechtbank geen inhoudelijk oordeel over de beschuldigingen vormt, zijn deze getuigenverklaringen belangrijk. Deze verklaringen ondersteunen immers het beeld dat de vertrouwensadvocaat schetst. Een beeld waarin [opgeëiste persoon] onschuldig is, maar bewust door de Rwandese autoriteiten wordt
geframed. Dit is van belang voor de dreigende flagrante schending van art. 6 EVRM Pro.
framing, kan zij uw rechtbank hierover nader voorlichten.
24. Kortom, onderzoek naar de door de Rwandese autoriteiten opgevoerde getuigen bevestigen het beeld dat de Rwandese autoriteiten [opgeëiste persoon] proberen te
framen. Dit doen ze door valse verklaringen in te brengen van getuigen die [opgeëiste persoon] niet kennen. Ook over deze praktijk kan [betrokkene 5] , die als onderzoeksjournaliste en schrijfster veel onderzoek deed naar Rwanda, meer vertellen.