Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
Stb.1990, 426), te weten een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een krachtens de belastingverordening te bepalen plaats, tijdstip en wijze (de betaaldparkerenbelasting) en een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in de vergunning aangegeven plaats en wijze (de parkeervergunningbelasting). Voor beide belastingen geldt dat zij worden geheven in het kader van de parkeerregulering (zie de aanhef van artikel 225, lid 1, van de Gemeentewet), maar voor het overige hebben ze weinig gemeen. Het belastbare feit, de belastingplichtige, de tarieven en de wijze van heffing van de beide belastingen zijn verschillend en de betaaldparkerenbelasting kent enkele bijzonderheden, met name de opslag voor de kosten van naheffing - die een veelvoud van de parkeerbelasting beloopt - en een eigen invorderingsmiddel - de wielklem met kostenverhaal -, die niet van toepassing zijn bij de heffing en invordering van de parkeervergunningbelasting. De gemeenten zijn niet verplicht om een van de of beide parkeerbelastingen te heffen. [5]
3.Het geding in cassatie
Verdragen en wetgeving, parlementaire geschiedenis, jurisprudentie en literatuur
De diplomatieke status van belanghebbende en de daarop gebaseerde fiscale vrijstellingen