Conclusie
Nummer18/03916
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en het in zaak A onder 2 bewezenverklaarde “
diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft het hof de verdachte op diezelfde datum in zaak B wegens “
overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 2 van Pro de Wet arbeid vreemdelingen” veroordeeld tot dertien geldboetes van elk € 900,-. Tot slot heeft het hof bevolen dat voor elke geldboete vervangende hechtenis van de duur van achttien dagen zal worden toegepast, indien noch betaling noch verhaal van het verschuldigde bedrag volgt.
eerste middelklaagt dat het hof ten onrechte de dagvaarding voor de zitting van 30 augustus 2007 [1] geldig heeft verklaard.
07/280240-04 (+ ontnemingsvordering) en 07/915088-05”, inhoudende:
07/280240-04; 07/915088-05(gev. ttz)”, bij verstek gewezen;
dagvaarding van verdachte in hoger beroep”, om op 16 februari 2007 te verschijnen ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem, meervoudige kamer, zitting houdende in Leeuwarden. Het gaat om de zaken die in eerste aanleg onder de parketnummers 07-280240-04 en 07‑915088‑05 zijn behandeld;
De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd :
oproeping van verdachte in hoger beroep”, om op 30 augustus 2007 te verschijnen ter (nadere) terechtzitting van het gerechtshof Arnhem, meervoudige kamer, zitting houdende in Leeuwarden;
Van deze zitting zijn geen aantekeningen meer bewaard gebleven. Het onderhavige proces-verbaal is om die reden mogelijk onvolledig. In dit proces-verbaal is alleen opgenomen datgene waarvan (onder meer op grond van de stukken) vast staat dat zulks heeft plaats gevonden.
Verstek (SR)”, geadresseerd aan de verdachte, thans zonder vaste woon of verblijfplaats hier te lande. Enkel de achterzijde van de akte is ingevuld en vermeldt dat op 25 april 2008 betekening ter griffie van de rechtbank te Leeuwarden heeft plaatsgevonden, omdat (aangekruist) van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is;
“Huidig GBA-adres
tweede middelklaagt dat het recht tot strafvordering van het openbaar ministerie ten aanzien van de feiten a tot en met m in de zaak B (overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 2 van Pro de Wet arbeid vreemdelingen) door verjaring is komen te vervalen. Het
derde middelklaagt dat het recht tot strafvordering van het openbaar ministerie ten aanzien van feit 1 in zaak A (medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd).
1. hij in of omstreeks de periode van 01 april 2004 tot en met 18 mei 2004 in [plaats 4] en/of te [plaats 1], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid, en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [f-straat] te [plaats 4] en/of het [d-straat 2] te [plaats 1]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 7800, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; (280240/04)
de aangehechte, uitgestreepte tenlasteleggingen”. Dat stuk heb ik echter niet aangetroffen in het procesdossier. Bij de stukken bevindt zich wel een verstekmededeling inzake parketnummer 24-000724-06, waarin aan de verdachte – voor zover relevant – ter kennis wordt gegeven:
dat veroordeelde bij arrest van dit gerechtshof d.d. 13 september 2007 wegens:
Economische delicten zijn:
Hij, die een economisch delict begaat, wordt gestraft:
De in de artikelen 10, tweede tot en met zesde lid, 10a, eerste lid, 11, tweede tot en met vijfde lid, 11a en 11b strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.”