Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Inleiding, eerdere procedure in cassatie en oordeel bestreden beschikking
onder 2.4berust op de veronderstelling dat het hof zou hebben beoogd toepassing te geven aan de
tenzij-bepaling van art. 1:100 lid 1 BW Pro. Zoals hiervóór (onder 3.2) reeds aan de orde kwam, ontbreekt iedere aanwijzing dat het hof de tenzij-bepaling van art. 1:100 lid 1 BW Pro op het oog heeft gehad. Dat laatste zou in het licht van het partijdebat ook onbegrijpelijk zijn. Dat debat heeft zich toegespitst op de vraag of de relevante hypothecaire geldleningen al dan niet voor rekening komen van de beperkte gemeenschap tussen partijen, waarbij de toepasselijkheid van art. 1:100 lid 1 BW Pro op de beperkte gemeenschap is voorondersteld. De klacht onder 2.5 berust op de veronderstelling dat het hof zou hebben aangenomen dat de relevante hypothecaire geldlening niet in de beperkte gemeenschap tussen partijen valt. Zou dat laatste het geval zijn, dan zou, zoals hiervóór (onder 3.2) eveneens reeds aan de orde kwam, de lening buiten iedere gemeenschap vallen en zou rechterlijke verdeling en toedeling in het geheel niet aan de orde zijn. Ten overvloede merk ik daarbij nog op dat ook dit veronderstelde oordeel zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk zou zijn, zowel in het licht van het partijdebat als in het licht van art. 1.1 van de akte huwelijkse voorwaarden. De klacht onder 2.6 ten slotte berust op de naar mijn mening onjuiste veronderstelling dat het hof in het midden heeft gelaten of de hypothecaire geldlening voor rekening komt van de beperkte gemeenschap tussen partijen, dan wel onderdeel vormt van het (de) privévermogen(s) van (één der) partijen. Zou het hof zulks in het midden hebben gelaten, dan zou ’s hofs oordeel onbegrijpelijk zijn, omdat - zoals het onderdeel met juistheid betoogt - het huwelijksgoederenregime van partijen tot het maken van een keuze noopt: ofwel er is sprake van een aan de beperkte gemeenschap toe te rekenen schuld, ofwel van een tot het (de) privévermogen(s) van (één der) partij(en) behorende schuld.”
als “de vrijstaande villa (…) onder gehoudenheid om voor hun beider gemeenschappelijke rekening te nemen de schuld wegens geleende gelden aan de [Rabobank] gevestigd te Zeist, waarmee gemeld onroerend goed hypothecair is verbonden, blijkens akte van crediethypotheek op negenentwintig november negentienhonderd negentig voor mij, notaris, verleden.”
3.Juridisch kader
4.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel b)betoogt de man dat, voor zover het hof in aanmerking heeft genomen dat de hypothecaire geldlening 3 een latere geldlening betreft, dat als zodanig bovendien op gespannen voet staat met het oordeel dat het eerste hof heeft gegeven ten aanzien van de hypothecaire geldlening 2. Dit betreft de tijdens het huwelijk aangegane hypothecaire geldlening bij de Rabobank ten bedrage van € 23.640,--. Zoals hiervoor vermeld heeft het hof Arnhem-Leeuwarden bij beschikking van 26 april 2016 overwogen dat tussen partijen vast staat dat de leningovereenkomst voor het bedrag van € 23.640,- tot stand is gekomen tussen de Rabobank enerzijds en de man en de vrouw anderzijds en dat daarom als hoofdregel heeft te gelden dat zij beiden, ieder voor de helft, gehouden zijn het geleende bedrag terug te betalen. Daaruit blijkt dat het hof ervan uit is gegaan dat die hypothecaire geldlening wel in de beperkte gemeenschap valt. Aangezien dit niet in de eerdere cassatieprocedure aan de orde is gesteld, staat dit tussen partijen vast. Het is juist dat, zoals de man stelt, het hof bij zijn afweging dat de hypothecaire geldlening 3 niet in de beperkte gemeenschap valt eveneens in aanmerking heeft genomen dat de hypothecaire geldlening 3 een latere geldlening betreft. Dit oordeel kan evenwel niet los worden gezien van hetgeen met betrekking tot deze geldlening eveneens is overwogen in rechtsoverweging 3.10, waaronder onder meer het doel van het aangaan van de hypothecaire geldlening. Anders dan waar het
subonderdeel b)dan ook vanuit gaat, staat het oordeel van het hof met betrekking tot de hypothecaire geldlening 3 dan ook niet op gespannen voet met het oordeel dat het hof Arnhem-Leeuwarden heeft gegeven ten aanzien van de hypothecaire geldlening 2.
Subonderdeel c)slaagt dan ook niet, met als gevolg dat het gehele onderdeel B faalt.
€ 153.000,-- in 2009, derhalve tijdens het huwelijk van partijen (en ruim ná het aangaan van de huwelijkse voorwaarden), bij de Rabobank is aangegaan en dat het vast staat dat de aanleiding voor het aangaan van de hypothecaire geldlening is dat de man zijn broer een bedrag van € 150.000,-- wilde lenen voor de investering in een recyclefabriek in Duitsland waarmee vaststaat dat de hypothecaire geldlening niet is aangegaan ter financiering en tot onderhoud van de in de beperkte gemeenschap vallende woning. Anders dan de man veronderstelt, heeft het hof zijn uitleg van art. 1 van Pro de huwelijkse voorwaarden niet enkel toegespitst op de omstandigheid dat de hypothecaire geldlening is aangegaan ter verwerving van de voormalige echtelijke woning. Weliswaar heeft het hof twee losstaande overwegingen gegeven, maar deze behoren in samenhang te worden bezien. Dit betekent dus dat het hof niet enkel gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat de hypothecaire geldlening 3 niet is aangegaan voor de verwerving van het onroerend goed, maar ook gewicht heeft toegekend aan het doel van de hypothecaire geldlening (deze is niet aangegaan voor onderhoud of financiering van de woning, maar het bedrag is doorgeleend aan de broer van de man), dat de vrouw slechts zijdelings betrokken is geweest bij het aangaan van de hypothecaire geldlening en dat zij geen voordeel heeft verkregen uit de lening aan de broer. Het oordeel van het hof dat ook hypothecaire geldleningen die zijn aangegaan met het oog op het onderhoud in de beperkte gemeenschap vallen, behoeft, anders dan de man stelt, naar mijn mening geen nadere motivering.
subonderdeel b1), richt zich tot de overweging van het hof dat de vrouw slechts zijdelings betrokken is geweest bij de totstandkoming van de hypothecaire geldlening. Ten eerste voert de man – kort gezegd - aan dat hij niet begrijpt hoe het oordeel van het hof ten aanzien van art. 1:88 lid 1 onder Pro a BW afdoet aan de toestemming die de vrouw met het aangaan van de hypothecaire geldlening als zodanig heeft verleend. Dit standpunt van de man gaat naar mijn mening uit van een onjuiste lezing van de overweging van het hof. Het hof overweegt niet dat de vrouw haar toestemming voor de hypothecaire geldlening als zodanig niet heeft verleend, maar heeft geoordeeld dat het mede ondertekenen van de overeenkomst van hypothecaire geldlening door de vrouw moet worden gezien in het licht van art. 1:88 lid 1 onder Pro a BW, en dat het feit dat de vrouw daarmee behulpzaam is geweest, niet (zonder meer; mijn toevoeging) maakt dat de hypothecaire geldlening in de beperkte gemeenschap van art. 1 van Pro de huwelijkse voorwaarden is komen te vallen. Bij dit oordeel heeft het hof, anders dan waar subonderdeel b1) kennelijk van uit gaat, de stelling van de vrouw dat zij niet bij de totstandkoming van de geldleningsovereenkomst met de broer van de man betrokken is geweest, niet meegenomen. De overweging “Bovendien staat als onweersproken vast dat de vrouw niet bij de totstandkoming van de overeenkomst van geldlening van € 150.000,--, die rechtstreeks verband hield met de hypothecaire geldlening en de omvang daarvan, tussen de man en zijn broer is betrokken.”, is een overweging ten overvloede en ziet op de overweging dat de vrouw slechts zijdelings bij de totstandkoming van de hypothecaire geldlening betrokken is geweest.
subonderdeel b2)betoogt de man dat niet valt in te zien dat betekenis zou kunnen of moeten toekomen aan de stelling van de vrouw dat zij niet bij gesprekken met de bank en/of de notaris aanwezig is geweest. Ten eerste voert de man aan dat er geen gesprek bij de notaris heeft plaatsgevonden en ook niet had hoeven plaats te vinden, waardoor het oordeel van het hof onbegrijpelijk is. Ten tweede betoogt de man dat de vrouw zich in de eerste procedure bij het hof niet beroepen heeft op het feit dat zij niet bij de gesprekken met de notaris aanwezig is geweest en door hem niet is voorgelicht. Uit de door de advocaat van de vrouw in hoger beroep overgelegde pleitaantekeningen, die aan het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 februari 2019 zijn gehecht, blijkt dat de vrouw het volgende naar voren heeft gebracht ten aanzien van de notaris:
subonderdeel b4)klaagt de man dat, voor zover het hof in aanmerking heeft genomen dat de vrouw geen voordeel heeft ontvangen uit het aangaan van de hypothecaire geldlening 3 en dat zij slechts risico liep nu zij voor de lening wel aansprakelijk is, dit als zodanig geen althans onvoldoende grond vormt voor het aannemen van een partijbedoeling gericht op het buiten de beperkte gemeenschap vallen van die lening. Daarnaast stelt de man dat niet in geschil is dat hij ook geen voordeel heeft ontvangen uit de hypothecaire geldlening en dat hij gemotiveerd heeft betoogd dat partijen hebben beoogd om uit de hypothecaire geldlening 3 verkregen gelden een investering te doen opdat het daaruit te behalen rendement een pensioenmogelijkheid zou zijn. [15] Verder klaagt de man dat de omstandigheid dat de vrouw geen vorderingsrecht heeft ten opzichte van de man als zodanig geen reden mag zijn om te komen tot de uitleg dat de hypothecaire geldlening 3 niet in de beperkte gemeenschap valt. Daarbij wijst de man op rechtsoverweging 3.3.4 van de beschikking van Uw Raad in deze zaak.
ubonderdeel b5)klaagt de man dat het hof de stelling van de vrouw dat de man zou hebben verklaard “dat zij geen last zou hebben van de hypothecaire geldlening”, niet had mogen meenemen in zijn beoordeling, maar buiten beschouwing had moeten laten, aangezien die voor het eerst is ingenomen in de procedure na cassatie en verwijzing en dus in strijd is met de eisen van de goede procesorde. Dat zou te meer klemmen nu de vrouw haar stellingname bij de mondelinge behandeling in appel in zoverre lijkt te hebben gewijzigd dat het nu ineens de broer van de man was die dit zou hebben gezegd. Ook hier is wat mij betreft sprake van een nadere precisering van het eerdere standpunt van de vrouw dat de hypothecaire geldlening 3 niet in de beperkte gemeenschap valt, zodat het hof op dit punt niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Overigens blijkt uit pagina 1 van de door de advocaat van de vrouw in hoger beroep overgelegde pleitaantekeningen, die aan het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 februari 2019 zijn gehecht, dat de vrouw zich op het standpunt heeft gesteld dat zowel de man als de broer heeft verklaard dat de vrouw geen last zou hebben van de hypothecaire geldlening 3.