Conclusie
De zaak
Bewezenverklaringen en bewijsoverwegingen
Het eerste middel en de beoordeling daarvan
De onderzoekswensen en het standpunt van het Openbaar Ministerie
Ten aanzien van het verzoek om nader technisch onderzoek, waaronder DNA- onderzoek, te laten verrichten
Bespreking van de verweren van de verdediging
tegenonderzoek. [2] Van een dergelijk verzoek is in de onderhavige zaak geen sprake. De verzoeken van de raadsvrouw betreffen alle het doen van nader (technisch) onderzoek dat nog niet eerder was gedaan. Aldus ook de raadsvrouw in haar (in randnummer 13 aangehaalde) pleitnotities: “Het onderzoek dat ik op 23 november 2016 gevraagd heb, is juist onderzoek dat nog niet is uitgevoerd.” [3]
NJ2014/441, m.nt. Borgers heeft de Hoge Raad een uiteenzetting gegeven van het noodzakelijkheidscriterium (rov. 2.8 en 2.9). Daarin valt te lezen dat dit criterium verband houdt met de taak en de verantwoordelijkheid van de strafrechter voor de volledigheid van het onderzoek van de zaak. Met het oog daarop is de strafrechter de bevoegdheid toegekend om ambtshalve onder meer de oproeping van getuigen te bevelen voor het geval hem de noodzakelijkheid blijkt van dat verhoor, ongeacht wat de procespartijen daarvan vinden. Toegespitst op het horen en oproepen van getuigen op verzoek van de verdediging, is vanuit deze gezichtshoek bezien bij de beoordeling van een gemotiveerd, duidelijk en stellig verzoek van de verdediging aan de rechter om ambtshalve gebruik te maken van zijn bevoegdheid om zelf getuigen op te roepen, slechts van belang of hij het horen van die getuigen noodzakelijk acht met het oog op de volledigheid van het onderzoek. Indien de feitenrechter van oordeel is dat hij voldoende is voorgelicht en hem dus de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor niet is gebleken, kan hij op die grond een verzoek tot het doen van nader onderzoek afwijzen. De toetsing van de begrijpelijkheid van die beslissing hangt af van enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. [6] Ik meen dat dit in het algemeen niet anders is in geval van een verzoek tot het horen en/of benoemen van een deskundige.
voordathet geweldsincident plaatsvond. In het licht van het bewijsmateriaal maakt het aantreffen van sporenmateriaal van derden op de kleding van het slachtoffer of op ter plaatse aangetroffen voorwerpen niet dat met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid van dadersporen kan worden gesproken. Belangrijk in dit verband is vooral ook dat het hof op grond van hetgeen hij heeft vastgesteld – niet onbegrijpelijk – heeft geoordeeld dat het eventueel aantreffen van het geduide materiaal op de door de verdediging aangeduide plekken niet betekent dat die derde als vermoedelijke dader kan worden aangemerkt en – dit is de essentie van het geheel – de verdachte daarmee als dader kan worden uitgesloten. [7] Ook als er sporen van een derde zouden worden aangetroffen, maakt dat de strafrechtelijke positie van de verdachte niet anders en staat dat bepaald niet in de weg aan het oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de tenlastegelegde doodslag. En de omstandigheid dat van de verdachte in het geheel geen materieel is aangetroffen, sluit de verdachte evenmin als dader uit. Ook dat heeft het hof overwogen. Het zou, aldus het hof, immers zeer wel mogelijk zijn geweest dat de dader gebruik heeft gemaakt van lichaamsbedekking, en daarnaast is het mogelijk dat de sporen niet meer zichtbaar zijn door overvloedig bloedverlies of door schoonmaakwerkzaamheden. Voorts heeft het hof terecht gewezen op, en zulks van belang geacht, dat de verdachte zelf heeft verklaard dat hij in de woning van het slachtoffer is geweest en hem heeft aangeraakt. Dat door het hof is overwogen dat de haren die in de hand van het slachtoffer zijn aangetroffen daar bij het geweldsincident terecht kunnen zijn gekomen, doet aan het vorengaande niet af.
Ikpakte, ja, gewoon zo”;
Getuige [getuige 3]” heeft opgenomen, te weten dat zij van de verdachte heeft gehoord dat de medeverdachte [medeverdachte] een zak over het hoofd van die man wilde doen, dat, toen [getuige 3] de verdachte belde, hij tegen haar zei dat hij bezig was, dat volgens [getuige 3] de verdachte toen bij "die meneer" was, dat de verdachte aan de telefoon hijgde en volgens [getuige 3] met die man in een worsteling of zoiets was.
Het tweede middel en de beoordeling daarvan
De eerste klacht
20.Het proces-verbaal van politie nummer 1502241105.V03 (pagina 1437 e.v. van zaaksdossier 2014499201), inhoudende als verklaring van verdachte [medeverdachte] d.d. 24 februari 2015:
medeverdachteper abuis als bewijsmiddel 20 blijven staan. De Hoge Raad kan de bestreden uitspraak lezen met verbetering van deze misslag, [10] in welk geval aan de klacht de feitelijke grondslag komt te ontvallen.
op het pleintje eerder toen we die pizza atendat zij die man van het café kende. Zij zei dat die man dood moest” (bewijsmiddel 23; cursivering door mij, EH), en (ii) dat [getuige 2] (bewijsmiddel 19) heeft verklaard dat hij de verdachte in de Beverwaard heeft afgezet, dat de verdachte even met “die vrouw” wegging en dat de verdachte vervolgens met “die vrouw” in de richting van de Beverwaard is gelopen. [12]
De tweede klacht
nietin belangrijke mate is ontleend aan de verklaringen van [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en [betrokkene 3] . In het bestreden arrest heeft het hof onder het cursiefje “Verklaringen van [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en [betrokkene 3] ” – niet onbegrijpelijk – benadrukt dat hun verklaringen “naar het oordeel van het hof steunbewijs [vormen] voor en verdere invulling van vorenstaande conclusies”. Ik wijs er in dit verband ook nog op dat het hof in respons op het verweer van de raadsvrouw van de verdachte dat de-auditu verklaringen moeten worden uitgesloten van het bewijs, onder het hoofd “Bespreking van de verweren van de verdediging” – evenmin onbegrijpelijk – als volgt heeft beslist en overwogen: