ECLI:NL:HR:2011:BQ3160

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/01712
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.J.A. van Dorst
  • H.A.G. Splinter-van Kan
  • M.A. Loth
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 116 Wegenverkeerswet 1994Art. 359 Wetboek van StrafvorderingArt. 365a Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
7 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt bewijsverklaring verdachte wegens schending Salduz-recht

In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor het rijden zonder geldig rijbewijs en het opgeven van valse identiteit aan een opsporingsambtenaar. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage had de verdachte veroordeeld, maar het hof erkende dat de verklaring van de verdachte tegenover de politie niet als bewijs mocht worden gebruikt omdat hij niet was gewezen op zijn recht op een advocaat voorafgaand aan het verhoor, conform de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (zaak Salduz).

De Hoge Raad bevestigde dat het gebruik van deze verklaring als bewijsmiddel in strijd is met het Salduz-arrest en vernietigde daarom het arrest van het hof voor zover het de feiten betreft dat de verdachte zonder rijbewijs reed en valse persoonsgegevens verstrekte. De zaak werd terugverwezen naar het hof voor een nieuwe beoordeling van deze feiten en de strafoplegging.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep voor het overige en oordeelde dat het vragen naar identiteit geen verhoor in de zin van Salduz was. De verdachte had vrijwillig zijn eerdere onjuiste opgave herroepen. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 7 juni 2011.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het bewijs van de verklaring van verdachte en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling.

Uitspraak

7 juni 2011
Strafkamer
nr. 10/01712
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 29 maart 2010, nummer 22/003757-09, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C.A. Lucardie, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten en de strafoplegging voor die feiten, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het middel klaagt dat het Hof de bewezenverklaring van het onder 2 en 3 tenlastegelegde niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed.
3.2.1. Ten laste van de verdachte is onder 2 en 3 bewezenverklaard dat:
"2: hij op 03 augustus 2008 te 's-Gravenhage als bestuurder van een motorrijtuig (auto) heeft gereden op de weg, de laan van 's-Gravenmade, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;
3: hij op 03 augustus 2008 te 's-Gravenhage toen een opsporingsambtenaar hem als verdachte van een strafbaar feit naar zijn identiteitsgegevens vroeg, aan die opsporingsambtenaar (een) andere dan zijn werkelijke personalia heeft opgegeven."
3.2.2. Het Hof heeft in de bestreden uitspraak onder het hoofd "gevoerde verweren" het volgende overwogen:
"De raadsvrouw van de verdachte heeft voorts ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat, gelet op de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Salduz, de door de verdachte bij de politie afgelegde verklaring van het bewijs dient te worden uitgesloten.
Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.
De door de raadsvrouw genoemde uitspraak van het Europese Hof brengt in ieder geval met zich mee dat de verdachte voorafgaand aan het (eerste) politieverhoor contact mag opnemen met een advocaat teneinde zijn proceshouding te kunnen bepalen. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte op dit recht is gewezen, noch dat hij tijdens zijn verhoor door de politie werd bijgestaan door een advocaat. In zoverre slaagt het door de raadsvrouw gevoerde verweer. Nu het hof de verklaring van de verdachte tegenover de politie niet voor het bewijs zal bezigen, behoeft het verweer van de raadsvrouw verder geen nadere bespreking dan de vaststelling zoals deze hiervoor is gedaan. Het vragen naar de identiteit van de verdachte is geen verhoor als bedoeld in de zaak Salduz. De verdachte is voorts vrijwillig teruggekomen op de eerder door hem gedane onjuiste identiteitsopgave."
3.2.3. Blijkens de aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv heeft het Hof onder meer als bewijsmiddel gebezigd een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende - (met betrekking tot feit 2) als verklaring van de verdachte:
"lk ben vandaag als bestuurder van een personenauto opgetreden. Ik weet dat men een rijbewijs nodig heeft voor het besturen van een personenauto. Ik heb wel rijlessen gehad, maar heb nooit examen gedaan. Ik ben niet in het bezit van een rijbewijs."
- (met betrekking tot feit 3) als verklaring van de verdachte:
"Vandaag op het politiebureau wilde ik onder alles uitkomen en heb ik een andere naam opgegeven.
Ik gaf in eerste instantie op te zijn:
Achternaam: [achternaam]
Voornamen: [voornaam]
Geboren op: [geboortedatum] 1968
Geboorteplaats: [geboorteplaats]."
3.3. Het middel klaagt terecht dat het bezigen als bewijsmiddel van de verklaring van de verdachte in strijd is met de hiervoor onder 3.2.2 weergegeven overweging van het Hof dat de verklaring van de verdachte niet voor het bewijs zal worden gebezigd.
4. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde en de strafoplegging;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 7 juni 2011.