Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelbehelst de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet zonder meer kan volgen dat de verdachte de onder feit 1 tenlastegelegde diefstal heeft medegepleegd.
NJ2016/412 en ECLI:NL:HR:2016:1315,
NJ2016/413, m.nt. Rozemond – ertoe moeten leiden dat “het uitblijven van een verklaring over deze omstandigheden niet tegen verzoeker [kan] werken”. Opgemerkt zij dat omtrent dit (thans in cassatie opgeworpen) punt geen verweer is gevoerd ten overstaan van het hof.
NJ2017/277, m.nt. Kooijmans uit de desbetreffende rechtspraak van de Hoge Raad twee factoren gedestilleerd die naar zijn inzicht in belangrijke mate een bijdrage kunnen leveren aan het bewijs van diefstal. De eerste factor ziet op het (betrekkelijk) korte tijdsverloop na de diefstal, waarbij Harteveld naar HR 27 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR1121 verwijst. In de desbetreffende zaak was het zo, dat na de diefstal (met braak) van bedrijfsshirts met opdruk en het aantreffen van die shirts in de auto van de verdachte [3] een gat in de tijd van acht dagen zat, zodat niet goed kon worden volgehouden dat sprake was van een ‘(betrekkelijk) korte tijd na de diefstal’. Het oordeel van de Hoge Raad luidde dat het hof de bewezenverklaring onvoldoende had gemotiveerd, omdat uit de gebezigde bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverweging niet zonder meer kon volgen dat het de verdachte was geweest die had ingebroken en de bewezenverklaarde shirts had weggenomen. De tweede factor betreft het ontbreken van een (aannemelijke) verklaring van de verdachte voor het aantreffen van de gestolen goederen bij hem. In verband met beide factoren kan hier nog HR 1 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2460 worden aangehaald. In die zaak had het hof vastgesteld dat een deel van de weggenomen goederen betrekkelijk kort na de diefstal was aangetroffen in woning A waar de verdachte elke dag kwam en waar hij zich ook bevond (te samen met drie andere verdachten) toen de politie op bezoek binnenkwam. Blijkens de bewijsoverwegingen van het hof was namens de verdachte betoogd dat hij niet in woning A verbleef maar, niet ver daar vandaan, in woning B. Hij had echter zelf geen douche, zodat hij daarvan gebruik maakte in woning A. Verdachte verbleef en at dan ook wel bij de andere personen die in woning A aanwezig waren, maar slapen deed hij altijd in zijn eigen woning B. Hierin kon, aldus de verdediging, ook de verklaring worden gevonden voor het door de politie aantreffen van douche- en scheerspullen van de verdachte in woning A. Het hof verwierp die uitleg en oordeelde dat verdachte, hoewel hij wellicht niet stond ingeschreven op het adres A, hij daar feitelijk wel verbleef. Mede op grond daarvan kwam het hof tot de slotsom dat het niet anders kon zijn dan dat de verdachte de woninginbraken had gepleegd. De Hoge Raad oordeelde terecht anders: uit de bewijsvoering van het hof kon niet volgen dat het de verdachte was geweest die de bewezenverklaarde gedragingen had verricht, nu het hof te dien aanzien op de keper beschouwd niet meer had vastgesteld dan dat de verdachte met anderen verbleef in het pand waar een aantal van de gestolen voorwerpen en een bahco, die de werktuigsporen in de woningen had veroorzaakt, waren aangetroffen; derhalve had het hof in dat opzicht de bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd.
tweede middelklaagt over schending van de redelijke termijn in feitelijke aanleg en voert daartoe twee klachten aan. De eerste klacht luidt dat het hof art. 6, eerste lid, EVRM heeft geschonden nu de termijn tussen het instellen van hoger beroep en de uitspraak van het gerechtshof ruim 28 maanden bedraagt en het hof hieraan geen consequenties heeft verbonden ten aanzien van de strafmaat. De tweede klacht houdt in dat art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv is geschonden doordat het hof heeft verzuimd te responderen op een door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. De klachten lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
Strafmaatverweren:Het gaat om feiten uit 2014 en 2016. Veroordelingen eerste aanleg van juni en september 2016. Er is derhalve een schending van de redelijke termijn nu de behandeling van het hoger beroep langer dan twee jaar na instellen van het hoger beroep aanvangt. Compensatie in de strafmaat.”