Conclusie
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
In het principale cassatieberoep:
nderdeel I.A
vier onderdelen. In
onderdeel I.Awordt geklaagd dat het volgende oordeel van het hof rechtens onjuist, althans onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd is:
aanvullende verzoekschriftis namens de vrouw een nadere aanvulling gegeven op hetgeen reeds in het verzoekschrift is opgemerkt over
onderdeel I.B.Op dit punt wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting bij het hof, meer specifiek de uitleg van artikel 8 van Pro de huwelijkse voorwaarden. De man heeft geen antwoord gegeven, zelfs niet nadat hij daar specifiek door de voorzitter om was gevraagd, op de vraag hoe de inhoud van het verrekenbeding is uitgelegd en hoe dat is begrepen door partijen. Het hof had daarom niet tot een verwerping van de door de vrouw bepleitte uitleg van de huwelijkse voorwaarden kunnen komen, althans niet zonder het (tegen)bewijsaanbod van de vrouw te passeren.
tegenbewijs door de vrouw, nu zij degene is die deze stelling heeft ingenomen (artikel 150 Rv Pro), en de man deze stelling heeft betwist.
nderdeel I.C
tweede cassatiemiddelbestaat uit één onderdeel. Hierin wordt geklaagd dat het hof ten onrechte, althans niet voorzien van een voldoende begrijpelijke motivering tot de conclusie komt dat de man als DGA van de Holding en de Pensioen B.V. zich van zijn zorgplicht heeft gekweten door zijn pensioen onder te brengen in de Pensioen B.V. [34] Het onderdeel stelt, onder verwijzing naar HR 14 april 2017 [35] , dat bij de berekening die ziet op het benodigde kapitaal (in de vorm van een voorziening of eigen vermogen) voor de pensioentoezegging van de vennootschap, uitgegaan dient te worden van de commerciële waarde van die toezegging (ten tijde van het doen van de toezegging, in deze zaak 2004), waarbij de heersende marktrente tot uitgangspunt wordt genomen. Het oordeel van het hof dat de man zich van zijn zorgplicht heeft gekweten omdat in 2004 de maximale fiscale voorziening was opgenomen, is dus niet beslissend. Bovendien staat vast dat ter gelegenheid van de pensioenoverdracht van de Holding naar de Pensioen B.V. er geen herrekening heeft plaatsgevonden naar de commerciële waarde, terwijl dat het peilmoment is. Ook heeft de man op dat moment niet gezorgd voor een correcte koopsom die commercieel actuarieel gewaardeerd was per de overgangsdatum. Hieruit volgt dat de man niet voldaan heeft aan zijn zorgplicht. [36] De vraag of de dekking van de pensioenaanspraken bij de overdracht naar de Pensioen B.V. voldoende was, is niet beantwoord. De man heeft hiervan geen onderbouwing gegeven, terwijl de bewijslast op hem rust [37] . Als het hof dit heeft miskend, heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, anders is het oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. [38] Voorts is de overweging van het hof in ro. 5.46, dat de vrouw niet, althans onvoldoende, heeft onderbouwd dat de overeenkomst van 24 februari 2004 [39] tot gevolg heeft gehad dat de aanspraak van de man op ouderdomspensioen werd verminderd, onbegrijpelijk. De vrouw heeft immers betoogd dat zij geen toestemming heeft gegeven voor de waardeoverdracht aan de Pensioen B.V. en dat die toestemming gelet op artikel 8c PSW wel vereist was. Zij heeft dus gesteld dat zij niet heeft ingestemd met de financieringsovereenkomst van 24 februari 2006, waarbij de pensioenverplichting door [A] Holding is overgedragen aan Pensioen B.V. Voor het geval uw Raad hier anders over zou denken, wijst het onderdeel erop dat een redelijke uitleg van artikel 8c PSW meebrengt, mede gelet op de ratio van de PSW, dat een doorschuiven van de Holding naar de Pensioen B.V. (voor zover al toegestaan) zonder meer toestemmingsplichtig is, dat wil zeggen ook zonder dat in de pensioentoezegging als zodanig een wijziging wordt aangebracht. Van ‘vermindering’ in de zin van de genoemde bepaling is ook sprake als een pensioen in eigen beheer van de ene vennootschap wordt doorgeschoven naar een andere, zonder dat daarbij de commerciële waarde actuarieel is berekend en zonder dat daarbij zeker is gesteld dat in de nieuwe B.V. voldoende middelen aanwezig zijn om de pensioenaanspraken te zijner tijd te kunnen uitkeren. Als het hof uit is gegaan van een beperktere reikwijdte van artikel 8c PSW, heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. [40] Als het hof wel van de juiste maatstaf is uitgegaan, heeft het miskend dat de bewijslast dat aan de genoemde zorgplicht is voldaan op de man rust. [41]
op het moment dat de man met pensioen ging(mijn cursivering) aan de daaraan gestelde criteria voldeed. Ten slotte overwoog het hof dat, gelet hierop en op de omstandigheid dat [A] Holding en haar dochterondernemingen risicovolle ondernemingen zijn, de man zich als dga van zijn zorgplicht heeft gekweten door zijn pensioen onder te brengen in de Pensioen B.V.
verminderingvan het weduwen-of weduwnaars- of ouderdomspensioen, voornamelijk met het oog op een voorhanden zijnde ontbinding van het huwelijk. De klacht dat het hof heeft miskend dat elke wijziging of doorschuiving van pensioenaanspraken naar een andere vennootschap toestemmingsplichtig is, faalt derhalve. Nu uitgegaan dient te worden van het moment van afstorting als peilmoment (voor de berekening van de commerciële waarde van het aan de vrouw toekomende deel van de in eigen beheer opgebouwde pensioenaanspraken), faalt de klacht dat het hof heeft miskend dat ook sprake is van ‘vermindering’ in de zin van artikel 8c PSW als pensioenaanspraken naar een andere vennootschap overgaan zonder dat daarbij de commerciële waarde actuarieel is berekend reeds om die reden. Het hof is ook niet van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan door te overwegen dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat de overeenkomst van 24 februari 2006 tot gevolg heeft gehad dat de aanspraak van de man op ouderdomspensioen werd verminderd. Nu de vrouw stelt dat dit wel het geval is, rust de bewijslast van deze stelling op haar. Dit heeft het hof evenmin miskend blijkens voornoemde overweging.