Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
tweede middel. Dit middel klaagt dat het hof de strafoplegging onvoldoende heeft gemotiveerd door in strijd met art. 359, zesde lid, Sv niet in het bijzonder de redenen op te geven die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.
Kamerstukken II1977/78, 15 012, nr. 3, p. 54-55)
Kamerstukken II1981/82, 15 012, nr. 5, p. 26)”
onvoorwaardelijktot uitgangspunt heeft te gelden. Het is niet voor betwisting vatbaar dat het hof op dat uitgangspunt ‘is gaan zitten’, het hof zegt immers met zoveel woorden dat het deze oriëntatiepunten tot uitgangspunt neemt bij het bepalen van de aan de verdachte op te leggen straffen. Mogelijk heeft het hof in de strafmotivering per abuis het adjectief onvoorwaardelijk onvermeld gelaten of – door te verwijzen naar die oriëntatiepunten – het eenvoudigweg als vanzelfsprekend geacht dat het een onvoorwaardelijke gevangenisstraf betreft. Vervolgens weegt het hof strafverzwarend mee dat de verdachte eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten en dat deze veroordelingen de verdachte er niet van hebben weerhouden zich aan de onderhavige feiten schuldig te maken.
eerste middelbehelst de klacht dat art. 6, eerste lid, EVRM is geschonden, nu de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden doordat het hof de stukken van het geding te laat aan de Hoge Raad heeft gezonden.