Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
14 januari 2020.
Hoge Raad
In deze zaak stond de verdachte terecht voor medeplegen van de invoer van cocaïne. Het gerechtshof Amsterdam had de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk. De Hoge Raad oordeelde dat het hof in strijd met artikel 359, zesde lid, Sv onvoldoende heeft gemotiveerd waarom een vrijheidsstraf werd opgelegd, terwijl het vonnis van de rechtbank wel een deugdelijke motivering bevatte.
De Hoge Raad stelde vast dat het hof zijn strafmotivering in de plaats had gesteld van die van de rechtbank, zonder zelf de vereiste redenen te geven. Dit leidde tot nietigheid van het arrest op grond van artikel 359, achtste lid, Sv. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en verwees de zaak terug naar het hof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling van de straf.
Het beroep van de verdachte werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan door de strafkamer van de Hoge Raad op 14 januari 2020, waarbij de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend betrokken waren.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens gebrekkige strafmotivering en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting van de straf.