ECLI:NL:HR:2020:630

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 april 2020
Publicatiedatum
8 april 2020
Zaaknummer
18/05100
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.2.b WVW 1994Art. 9.2 WVW 1994Art. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 ROArt. 359.6 Sv
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor rijden onder invloed en zonder rijbewijs ondanks termijnoverschrijding

De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 oktober 2018. De verdachte werd veroordeeld voor rijden onder invloed van alcohol en zonder rijbewijs, op grond van de artikelen 8.2.b en 9.2 van de Wegenverkeerswet 1994.

In cassatie werd onder meer aangevoerd dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden. De Hoge Raad achtte deze klacht gegrond, maar oordeelde dat gezien de korte opgelegde gevangenisstraf van drie weken en de mate van overschrijding, hieraan geen rechtsgevolg verbonden hoeft te worden.

De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde daarmee het arrest van het hof. Het arrest werd gewezen door de vice-president Van Schendel als voorzitter en de raadsheren Van den Brink en Boerlage, en uitgesproken op 14 april 2020.

Deze uitspraak benadrukt de toepassing van artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, waarbij de Hoge Raad niet altijd hoeft te motiveren waarom cassatieklachten worden verworpen indien deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling tot drie weken gevangenisstraf ondanks overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/05100
Datum14 april 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 oktober 2018, nummer 21/002359-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.G. Vos, advocaat te Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van drie weken en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden. De Hoge Raad zal daarom met dat oordeel volstaan.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 april 2020.