Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
medeplegen van poging tot moord”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertien jaren en zes maanden met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof in zaak C de door de rechtbank opgelegde straf bepaalt op een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden en tevens beslissingen genomen ten aanzien van de vordering tot oplegging van een schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer en de vordering van de benadeelde partij, een en ander zoals vermeld in het bestreden arrest.
middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte heeft bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot moord.
medeplichtigheidaan een poging tot moord, en niet kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het
medeplegenvan de poging tot moord. Volgens de raadsvrouw bestond de rol van de verdachte (uitsluitend) uit het fungeren als chauffeur van de medeverdachte die inlichtingen heeft verschaft omtrent de verblijfplaats van het slachtoffer aan de andere medeverdachten.
NJ2016/420, m.nt. Rozemond. In die zaak ging het om een poging tot inbraak bij een woning. Het hof oordeelde dat medeplegen bewezen kon worden. De Hoge Raad liet dat oordeel in stand met de volgende overweging:
NJ2017/301 m.nt. Rozemond. Ook in die zaak leek het verwezenlijken van een gezamenlijk concreet plan een rol van betekenis te spelen. In die zaak, waarin het ging om moord en een poging tot moord, had het hof onder meer vastgesteld dat de verdachte en zijn medeverdachten, in bewuste en nauwe samenwerking met elkaar, op basis van een vooropgezet concreet plan om het slachtoffer mee te nemen en hardhandig een lesje te leren, zich hadden geprepareerd op het gebruik van vuurwapens, dat deze voorbereiding tenminste acht wapens, waaronder wapens van een zwaar kaliber, en beschermende kleding tegen vuurwapengeweld omvatte en dat de groep, onder wie de verdachte, zich vóór de woonwagen had opgesteld, dat wapens gereed werden gehouden en dat de eerste man van de groep die ging schieten zijn wapen op de woonwagen had gericht. Vervolgens hadden ook anderen geschoten waarbij een twaalfjarige jongen (dodelijk) en zijn moeder werden getroffen. Uit de door het hof vastgestelde gedragingen van de verdachte kon worden afgeleid dat de verdachte nadat hij was ingelicht over het plan tot ontvoering, een bus had geregeld, in die bus had gereden en had gezien dat zijn mededaders wapens in die bus meenamen, een bivakmuts had opgezet, uit de bus was gestapt en richting de woonwagen was gelopen en dat hij zich had opgesteld tussen de anderen terwijl zichtbaar wapens werden gedragen die op de woonwagen werden gericht
.De Hoge Raad oordeelde dat ’s hofs oordeel dat de verdachte aan de bewezenverklaarde (poging tot) moord een zodanige intellectuele en materiele bijdrage van voldoende gewicht had geleverd dat van bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten kon worden gesproken, niet blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting en toereikend was gemotiveerd.
medepleger vandan wel als
medeplichtige aanhet delict heeft te gelden, zullen alle vastgestelde gedragingen in onderling verband en samenhang moeten worden beschouwd, en heeft het geen zin om iedere gedraging afzonderlijk te beoordelen.