Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beoordeling van het derde middel
5.Slotsom
6.Beslissing
31 oktober 2017.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch dat hem veroordeelde voor medeplegen van poging tot moord op 21 februari 2013 te Waalre. Het hof had vastgesteld dat verdachte voorafgaand aan de aanslag de plaats en routes verkende, betrokken was bij het regelen van vervoermiddelen waaronder een gestolen motorscooter en een geleende auto, en op de dag van het incident zijn mededader vervoerde, begeleidde en na het schietincident wegbracht.
Het hof oordeelde dat deze gedragingen een nauwe en bewuste samenwerking vormden die voldoende gewicht hadden voor medeplegen, waarbij verdachte precies wist wat de mededader ging doen en hem mogelijk maakte dit te doen. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwees naar eerdere jurisprudentie over de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid, waarbij intensiteit van samenwerking en taakverdeling centraal staan.
Daarnaast stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro in de cassatiefase was overschreden, waardoor de opgelegde gevangenisstraf van negen jaar werd verminderd tot acht jaar en zes maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 31 oktober 2017.
Uitkomst: Gevangenisstraf van acht jaar en zes maanden voor medeplegen poging tot moord wegens intensieve samenwerking en overschrijding redelijke termijn.