3.2.3. Voor de in cassatie aan te leggen toets of de bewijsvoering voldoet aan het hiervoor overwogene, kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel hieromtrent nader heeft gemotiveerd. In het algemeen geldt dat voor de beoordeling van de vraag of het benodigde steunbewijs aanwezig is, niet kan worden volstaan met een op de betrouwbaarheid van de verklaring van de desbetreffende getuige toegesneden overweging.”
31. Door de steller van het middel wordt betoogd dat – in weerwil van het oordeel van het hof – de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde feit in beslissende mate op de verklaring van [slachtoffer 2] steunt, terwijl de verdediging haar niet heeft kunnen (doen laten) horen en de verdediging geen compenserende maatregelen zijn geboden. Daartoe wordt aangevoerd dat de onderdelen van de verklaring van [slachtoffer 2] die door de verdachte worden betwist, onvoldoende steun vinden in de bewijsmiddelen. Gezien het hieromtrent namens de verdachte gevoerde verweer, dat onder randnummer 22 is geciteerd, wordt in dit kader (slechts) aangevoerd dat het schakelbewijs (de modus operandi), noch de beelden dat de verdachte ergens is geweest, voldoende steunbewijs opleveren voor de verklaring van de aangeefster [slachtoffer 2] . Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof volgt dat de verdachte hieromtrent (slechts) heeft verklaard dat hij nooit over deze zaak is gehoord.
32. Dat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest de aangeefster [slachtoffer 2] te (doen laten) horen, terwijl het hof die verklaring wél tot het bewijs heeft gebezigd staat niet ter discussie. Ter beoordeling staat de vraag of de bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit in beslissende mate op die verklaring steunt en zo ja, of de verdediging maatregelen zijn geboden om de onmogelijkheid haar te horen te compenseren. Gezien hetgeen ik heb vooropgesteld hoeft – indien steunbewijs aanwezig is – het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de desbetreffende getuige te ondervragen immers niet (zonder meer) te worden gecompenseerd.
33. Kort gezegd volgt uit de bewijsvoering het hof – in onderling verband en samenhang bezien – dat de verdachte vlak voor de oplichting op de camerabeelden is te zien in het appartementencomplex waar de aangeefster woont, dat hij haar aanspreekt en haar volgt in de richting van de lift (bewijsmiddel 25, 26 en 27). De verdachte draagt op dat moment een jas die later in zijn woning is aangetroffen (bewijsmiddel 28). Voor zijn aanwezigheid in dat appartementencomplex heeft de verdachte geen aannemelijke verklaring gegeven, aldus het hof (zie ook bewijsmiddel 29). De aangeefster heeft verklaard dat de man op de camerabeelden haar heeft gezegd dat er geprobeerd was in te breken in haar woning, dat hij de politie zou waarschuwen om haar te helpen met die inbraak, maar dat zij die man niet binnen heeft gelaten in haar woning. De man heeft haar voorts gezegd dat hij de politie zou waarschuwen om haar te helpen. Eenmaal in de woning is haar van een inbraak echter niets gebleken. Kort daarop werd zij gebeld door een man die zei dat hij [naam] heette en werkzaam was bij de politie. Haar bankpas zou zijn gestolen en er zou al 1000 euro zijn afgeschreven. Daarom wilde deze [naam] de bankpas van [slachtoffer 2] hebben, maar dat heeft zij geweigerd (bewijsmiddel 24). Op grond van de aangifte stelt het hof vast dat een ander dan de verdachte de aangeefster heeft gebeld. Tot slot stelt het hof vast dat de modus operandi in deze zaak bestaat uit de onderdelen I en III die ook deel uitmaken van de modus operandi in de zaken 2.1 ( [slachtoffer 3] ) en 2.3 ( [slachtoffer 1] ).
34. Gelet op het voorgaande acht ik het oordeel van het hof dat het bewijs dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde (zaak 2.5) heeft begaan niet alleen steunt op de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] , maar dat er voor haar verklaring
“op essentiële onderdelen voldoende steunbewijs [is], waaronder schakelbewijs”en dat er derhalve “
geen noodzaak voor het bieden van compenserende maatregelen” is, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. De klacht faalt in zoverre.
35. Voorts wordt onder vermelding van verschillende klachten betoogd dat het bewezenverklaarde medeplegen ook overigens onvoldoende met redenen is omkleed. Daartoe wordt onder meer aangevoerd dat het hof ten aanzien van verdachtes aanwezigheid in het appartementencomplex waar de aangeefster woont enerzijds vaststelt dat hij daarvoor geen aannemelijke verklaring heeft, maar het – gezien verdachtes tot het bewijs gebezigde verklaring –, niettemin aannemelijk acht dat de verdachte daar was voor zaken.
36. Uit de tot bewijsmiddel 29 gebezigde verklaring van de verdachte volgt dat de politie hem foto’s toont van de hal van het appartementencomplex en dat hem wordt gevraagd waar hij op dat moment is. De verdachte geeft aan dat niet te weten, waarop de politie hem zegt dat het de [c-straat] te [plaats] is. De verdachte geeft te kennen dat hij daar geweest zou kunnen zijn voor zaken. Vervolgens heeft het hof in zijn bewijsoverweging vastgesteld dat de verdachte geen aannemelijke verklaring voor zijn aanwezigheid in het appartementencomplex (aan de [c-straat] te [plaats] ) heeft gegeven.
37. Voor de beoordeling van de klachten over het bewezenverklaarde medeplegen is in het bijzonder van belang dat – zoals ik reeds vooropstelde – de op grond van de in de bewijsmiddelen vastgestelde feiten en omstandigheden door de feitenrechter getrokken conclusies van feitelijke aard in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid kunnen worden onderzocht.Het oordeel dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor zijn aanwezigheid, acht ik – ook tegen de achtergrond van de voor het bewijs gebruikte verklaring dat hij daar geweest zou kunnen zijn voor zaken – niet onbegrijpelijk. Daarop stuiten verder ook de overige in het middel aangevoerde klachten af.
38. Resumerend acht ik het oordeel van het hof dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot oplichting van [slachtoffer 2] niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
39. De klacht faalt.
Deelklacht III: bewezenverklaring feit 5 onder a – zaak 2.11
40. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans niet begrijpelijk, dan wel ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 5 onder a bewezenverklaarde diefstal van een bankpas.
41. Ten laste van de verdachte is onder 5 onder a bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 17 april 2017 tot en met 9 juni 2017 met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen
a) te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, een bankpas en geldbedragen (te weten totaal 2850) (zaak 2.11)
toebehorende aan [slachtoffer 4] (geboren in 1947)
zulks na de weg te nemen geldbedragen onder hun bereik te hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door gebruik te maken van een pinpas en pincode die niet aan verdachte en/of zijn mededader toebehoorden (…)”
42. De bewezenverklaring steunt in het bijzonder op de volgende bewijsmiddelen:
Een
proces-verbaal aangifted.d. 23 april 2017 van de politie Eenheid Rotterdam met nummer PL1700-2017125328-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (blz. 526 e.v.):
als de op 21 april 2017 afgelegde verklaring van [slachtoffer 4] , geboren [geboortedatum] 1947, wonende [d-straat 1] te [plaats] :
Ik doe aangifte van een feit dat op 20 april 2017 is gepleegd door voor mij onbekende mannen. Een man heb ik gezien de andere man heb ik alleen telefonisch gesproken.
Mijn woning is gelegen op de vierde etage.
Op 20 april 2017 omstreeks 11.20 uur had ik boodschappen gedaan bij de Jumbo aan de [e-straat 1] te [plaats] . Ik liep hierna met mijn rollator naar huis. Ik vermoed dat ik rond 12.00 uur bij mijn woning aankwam.
Net toen ik bij mijn voordeur stond, zag ik dat er ineens een man naast mij stond. Ik hoorde dat de man zei: "Er waren daar twee mannen, die hebben bij u afgekeken toen u stond te betalen". Ik hoorde dat de man verder zei: "Ik ben de huismeester. U moet de politie bellen, want twee mannen hebben geprobeerd in te breken en ze wilden in je laatjes kijken of ze je pinpas konden vinden". Ik weet niet hoe de huismeester eruitziet. Ik zag dat de man verder aan het bellen was. Ik heb tegen de man gezegd: "Kom even binnen". De man is mee naar binnen gegaan. Toen we binnen waren hoorde ik dat de man zei: "Wat is uw telefoonnummer?" Ik heb hierna mijn telefoonnummer doorgegeven aan de man. Ik hoorde dat de man zei: "Je moet je telefoon aansluiten, want de politie probeert je te bellen". Ik heb vervolgens de telefoon aangesloten. Toen werd er gebeld. Ik nam de telefoon op. Ik hoorde een man zeggen: "Ik ben van de politie van [f-straat] . Er is ingebroken bij u. U moet uw pasje afgeven zodat dat bij de politie gebracht kan worden. Ook moet u uw pincode afgeven. Ik was helemaal overdonderd. Ik heb mijn pinpas overhandigd aan de man die bij mij was. Verder heb ik mijn pincode verteld aan de man. Ik hoorde dat de man zei: "Vrijdagmiddag om 12.00 uur komt de politie bij u langs". Hierna ging de man weg.
Op vrijdag 21 april 2017 om 12.00 uur heb ik geen politie gezien bij mij thuis. Ik heb die dag gebeld met de ABN/AMRO en gehoord dat al het geld dat op mijn bankrekening stond was opgenomen.
De man die bij mij thuis was had croissants bij zich. Die heb ik naar het politiebureau gebracht.
Ik heb bij de bank een afschrift opgehaald van wat er op mijn rekening was gebeurd. Dit heb ik aan de politie afgegeven.
U vertelt mij dat er in totaal EURO 2850,00 is opgenomen. Ik heb dit geld niet zelf opgenomen/betaald.
Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
39.
Een
Aanvraag forensisch onderzoek PD algemeend.d. 21 april 2017 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2017125328-1. Deze aanvraag houdt onder meer in (blz. 533-534):
als
relaasvan de betreffende opsporingsambtenaar:
[d-straat 1] te [plaats]
[slachtoffer 4]
Verdachte heeft een plastic zakje met broodjes/donuts achtergelaten.
40.
Een
proces-verbaal Onderzoek stuk van overtuigingd.d. 22 april 2017 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2017125328-3. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (blz. 535-536):
als
relaasvan de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 22 april 2017 ontving ik het volgende stuk van overtuiging:
Een plastic zakje met daarin een deels opgegeten croissant en een donut. .
41.
Een
proces-verbaal van bevindingend.d. 31 mei 2017 van de Districtsrecherche Rotterdam-Stad met nr. 2017125328, documentcode 1705311310 AMB. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (blz. 537 e.v.) :
als
relaasvan de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 20 april 2017 vond er een oplichting plaats waarvan door slachtoffer [slachtoffer 4] aangifte is gedaan.
Op meerdere plaatsen werd met haar pinpas gepind, onder meer bij de geldautomaat aan de [e-straat 1] en in de tabak- en gemakswinkel aan de [g-straat 1] te [plaats] . De camerabeelden van de woning aan de [d-straat] , de Jumbo, de geldautomaat en de tabak- en gemakswinkel zijn uitgekeken.
Hieronder volgt wat op de beelden te zien is.
Camerabeelden [d-straat 1] (
het hof begrijpt: van [B])
Omstreeks 11.52 loopt het slachtoffer, [slachtoffer 4] , haar portiekflat in. Op het moment dat [slachtoffer 4] de deur van de trappenhal doorloopt om naar de liften te gaan, loopt achter haar een persoon mee de trappenhal in. Deze wordt verder in dit proces-verbaal verdachte genoemd.
De verdachte gaat de trap op. Zodra [slachtoffer 4] in de lift staat loopt de verdachte weer de trap af. Hij stapt de lift in. In zijn linkerhand heeft de verdachte iets beet. De verdachte stapt op de derde verdieping uit en loopt de trap op naar boven.
Omstreeks 12.07 uur stapt de verdachte weer de lift in en gaat naar beneden. Hij is aan het telefoneren. Al bellend stapt de verdachte de lift uit en loopt naar buiten.
Camerabeelden Jumbo [e-straat 1] te [plaats] .
Omstreeks 11.22 uur staat [slachtoffer 4] in de rij voor de kassa. Zij rekent haar boodschappen af met haar pinpas en pincode.
De verdachte staat in dezelfde rij als [slachtoffer 4] . Hij heeft [slachtoffer 4] voor zich. De verdachte heeft een doorzichtig zakje met broodjes erin in zijn hand. Omstreeks 11.27 uur rekent de verdachte zijn broodjes af en loopt de Jumbo uit.
Camerabeelden geldautomaat [e-straat 1] te [plaats] .
Omstreeks 12.23 uur doet de verdachte bij deze geldautomaat een pintransactie. De verdachte heeft briefjes in zijn hand als hij wegloopt bij de geldautomaat..
Camerabeelden tabak- en gemakswinkel [g-straat 1] te [plaats]
Omstreeks 12.03 uur loopt de verdachte de tabak- en gemakswinkel binnen en rekent hij een pakje sigaretten met een pintransactie af. Het verschil met de werkelijke tijd is 28 minuten. Dat betekent dat de verdachte omstreeks 12.31 uur de pintransactie doet in deze winkel.
42.
Een
proces-verbaal van bevindingend.d. 21 juni 2017 van de Districtsrecherche Rotterdam-Stad met nr. 2017125328, documentcode 1706151609.AMB. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (blz. 546 e.v.) :
als
relaasvan de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 20 april 2017 vond er een oplichting plaats, aan de [d-straat 1] te [plaats] . In dit onderzoek zijn camerabeelden uitgekeken van de Jumbo supermarkt, [B] , geldautomaat en een tabakswinkel. Op alle camerabeelden is, steeds een en dezelfde persoon te zien, verder verdachte te noemen. De verdachte draagt een blauwe jas met rode Adidas-strepen en met het logo van de voetbalclub Feijenoord en een blauwe trainingsbroek van het merk Nike. De verdachte is lichtgetint.
Van de verdachte zijn screenshots gemaakt en deze zijn via het landelijk politienetwerk verspreid. Op 15 juni 2017 werd ik gebeld door verbalisant [verbalisant 1] , werkzaam in Den Haag. Zij heeft mij een politiefoto gestuurd van [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] .
Deze foto heb ik vergeleken met de camerabeelden waarop de verdachte te zien is. Ik herkende [verdachte] onmiddellijk als zijnde de verdachte. De herkenning baseer ik onder andere op de vorm van zijn hoofd, zijn teruggetrokken haargrens, zijn donkere wenkbrauwen en brede neusbrug.
[foto 1]
[foto]”
43. Voorts bevat het arrest van het hof de volgende bewijs overweging:
“2.11 [slachtoffer 4]
Het hof verwijst naar de gehanteerde bewijsmiddelen. Daaruit is af te leiden dat kort voor de afgifte van de pinpas en de pincode door de aangeefster een man bij de supermarkt Jumbo achter de aangeefster een zakje met broodjes lijkt af te rekenen. Daarna komt dezelfde man achter de aangeefster binnen in de hal van het appartementencomplex waar zij woont, met iets in zijn hand. Een zakje met een deel van een croissant en een donut is in de woning van de aangeefster aangetroffen.
Met de pinpas van de aangeefster is kort na de diefstal onder meer gepind bij een winkel aan de [g-straat] . Voorts is eveneens kort na de ten laste gelegde feiten met de pinpas van de aangeefster gepind bij een geldautomaat aan de [e-straat] . Van het voorgaande bevinden zich camerabeelden in het dossier. Op al die beelden wordt de verdachte herkend.
De modus operandi in deze zaak bestaat onder meer uit de onderdelen I, III en IV, die ook deel uitmaken van de modus operandi in de zaken 2.13 en 2.16.”
44. Tot slot heeft het hof in een bewijsoverweging in de bijlage bij het arrest nog het volgende overwogen:
“Medeplegen
Ten aanzien van de feiten waarbij het hof bewezen acht dat de verdachte deze tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd overweegt het hof als volgt.
Gelet op de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien en bij gebreke van een verklaring van de verdachte over zijn aandeel in de bewezen verklaarde feiten is het hof van oordeel dat er sprake is geweest van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen de bij het feit of de feiten betrokken personen dat medeplegen kan worden bewezen.”
45. Wederom wordt door de steller van het middel geklaagd dat de aangeefster [slachtoffer 4] haar pinpas aan de man in haar woning heeft
“gegeven”en dat derhalve geen sprake is van “
wegneming”van de pinpas met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. Gelet op hetgeen ik onder randnummer 11 heb besproken én gezien de bewijsvoering van het hof in deze zaak, faalt deze klacht evident.
46. De klacht faalt.
Deelklacht IV bewezenverklaring feit 5 onder c – zaak 2.13
47. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans niet begrijpelijk, dan wel ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 5 onder c bewezenverklaarde medeplegen van diefstal.
48. Ten laste van de verdachte is onder 5 onder c bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 17 april 2017 tot en met 9 juni 2017 met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen
(…)
c) te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, sieraden (oorbellen en kettingen en armbanden en horloges en een dasspeld) (zaak 2.13)
en geldbedragen (totaal 1250 euro) en een bankpas,
toebehorende aan [slachtoffer 5] (geboren in 1929) zulks na de weg te nemen geldbedragen (totaal 1250) onder hun bereik te hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door gebruik te maken van een pinpas en pincode die niet aan verdachte en/of zijn mededader toebehoorden (…)”
49. De bewezenverklaring steunt in het bijzonder op de volgende bewijsmiddelen:
“
(2.13)
48.
Een
proces-verbaal aangifted.d. 20 mei 2017 van de Politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2017138358-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (blz. 585 e.v.):
als de op 20 mei 2017 afgelegde verklaring van
[slachtoffer 5]geboren op [geboortedatum] 1929, wonende [h-straat 1] te [plaats] :
Ik doe aangifte van een incident gepleegd op 20 mei 2017.
Op 20 mei 2017, omstreeks 12.00 uur, bevond ik mij in het portiek van mijn woning. Ik had net boodschappen gedaan. Ik haalde post uit mijn brievenbus en zag uit mijn ooghoek een man staan.
Ik kan de man als volgt omschrijven:
- ongeveer 1 meter 80 lang
- smal, tenger postuur 1
- kort rommelig zwart haar
- ongeveer 40 jaar oud
- sprak goed Nederlands.
Ik stapte samen met deze man in de lift. Ik vroeg aan de man waar hij heen moest. Ik hoorde hem zeggen: naar de vierde etage. Ik moest naar de derde etage.
Ik stapte de lift uit en liep de galerij op naar mijn voordeur. Ik hoorde de man "mevrouw" roepen. Ik keek om en hoorde de man het volgende zeggen: "Er is bij u ingebroken. Ik heb de inbreker verjaagd." Ik hoorde hem zeggen dat er misschien nog iemand boven in de woning zou zitten. Ik zei tegen de man dat hij even binnen mocht kijken. Ik liet de man binnen en zag dat de man naar boven liep in de richting van mijn slaapkamer. De man was eerder boven dan ik. Ik zag dat er een juwelendoos was omgegooid op mijn bed. Ik hoorde de man vragen of ik iets kwijt was. Ik keek in mijn la en zei: "nee alles is er nog". Ik had in mijn la gekeken waar al mijn sieraden lagen, waar de man bij stond. Ik hoorde de man zeggen dat hij de politie ging bellen en moest mijn telefoonnummer aan de man geven. Ik gaf mijn telefoonnummer aan de man. Ook hoorde ik de man vragen of ik geld miste. Ik zei tegen de man dat ik geen geld in huis had. Ik was samen met de man naar beneden gegaan. Ik liep naar de keuken om mijn boodschappen uit te pakken. Ik dacht dat de man weg was gegaan.
Ik hoorde enkele seconden later de huistelefoon gaan, welke in de woonkamer staat. Ik hoorde een mannelijke stem zeggen: "hallo met de politie". Terwijl ik aan het praten was aan de telefoon zie ik de man weggaan mijn woning uit. Ik heb direct opgehangen. Ik ben naar boven gelopen naar mijn slaapkamer. Ik zag dat al mijn sieradendoosjes waren leeggehaald. Er zijn diverse sieraden meegenomen.
Hierbij werden de goederen, zoals genoemd op de bijlage goederen, weggenomen.
Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
Bijlage goederen:
2 oorsieraden
kettingen
2 armbanden
2 horloges
dasspeld.
49.
Een
proces-verbaal van verhoor aangeefsterd.d.24 mei 2017 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2017138358-7. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (blz. 596 e.v.):
als de op 24 mei 2017 afgelegde verklaring van
[slachtoffer 5]:
Ik deed op 20 mei 2017 al aangifte van diefstal uit mijn woning.
Gisteren, 23 mei 2017, belde mij in de loop van de dag een man op die vertelde van de politie te zijn, dat men twee daders te pakken had en de sieraden terug hadden.
's-Avonds omstreeks 22.30 uur, werd er via de portiek-intercom bij mij aangebeld en vertelde de man mij weer van de politie te zijn, dat hij mijn pinpas en de pincode kwam ophalen hij zei om het een en ander te kunnen regelen om zogenaamd verder misbruik te voorkomen.
Ik constateerde dat er 23 mei laat in de avond, twee maal was gepind en dat er 1250 Euro van mijn rekening was afgeschreven, in twee keer, eenmaal 250 euro/en eenmaal 1000 euro.
50.
Een
proces-verbaal van bevindingend.d. 20 mei 2017 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2017138358. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (blz. 595):
als
relaasvan de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 20 mei 2017 bevond ik mij in de slaapkamer van [slachtoffer 5] naar aanleiding van diefstal uit woning.
In de slaapkamer zag ik op de grond een witte mobiele telefoon liggen. Ik zag dat de telefoon tussen de doosjes op de grond lag. Ik liet de telefoon aan [slachtoffer 5] zien. Ik vroeg aan haar of de telefoon van haar was. Ik hoorde haar zeggen dat het niet haar telefoon was en dat zij de telefoon nooit eerder had gezien.
Ik heb de telefoon in beslag genomen.
Goed: PL1500-2017138358-1797858
Telefoon Alcatel.
51.
Een
proces-verbaal Onderzoek stuk van overtuigingd.d. 20 juni 2017 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2017138358-6. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (blz. 607 e.v.):
als
relaasvan de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 20 juni 2017 ontving ik het volgende stuk van overtuiging:
SVO communicatieap, telefoon.
Goednr. PL1500-2017138358-1797858
SIN AK2671NL
Relatie met SIN AAKG0118NL.
52.
Een
proces-verbaal aanvraag DNA-onderzoeksporen en benoeming DNA-deskundige d.d. 27 juni 2017 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2.017138358-6. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (blz. 609 e.v.):
als
relaasvan de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 20 mei 2017 werd melding gedaan van diefstal in/uit de woning [h-straat 1] te [plaats] . In de woning werd een mobiele telefoon aangetroffen welke niet toebehoorde aan de bewoonster. Door tactisch onderzoek werd als verdachte aangemerkt:
[verdachte] , geboren [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] . De mobiele telefoon werd veiliggesteld en aangeboden voor nader onderzoek. Hierbij werd een stuk van overtuiging (SVO) veiliggesteld.
Aan het volgende SVO dient DNA-onderzoek te worden verricht:
SIN AAKG0118NL
Relatie met SIN AK2671NL.
53.
Een
rapport van het Nederlands Forensisch Instituutd.d. 14 augustus 2017, opgemaakt door [betrokkene 1] . Dit rapport houdt onder meer in (bl. 614 e.v.):
Onderstaand onderzoeksmateriaal is onderworpen aan een DNA-onderzoek:
AAKG0118NL#01.
In tabel 1 staat vermeld van wie het celmateriaal op grond van het vergelijkend DNA-onderzoek afkomstig kan zijn.
Tabel 1 Resultaat, interpretatie en conclusie vergelijkend DNA-onderzoek
SIN Beschrijving DNA-profiel/ Matchkans
Celmateriaal kan afkomstig zijn van
AAKG0118NL#01 verdachte [verdachte] kleiner dan één
op één miljard
DNA-profiel van de verdachte [verdachte] RAAL3480NL
Bijlage
[verdachte] (geboren [geboortedatum] 1978)
DNA-identiteitszegel RAAL3480NL.”
50. Voorts bevat het arrest van het hof de volgende bewijsoverweging:
“2.13 [slachtoffer 5]
Het hof verwijst naar de gehanteerde bewijsmiddelen. Daaruit is af te leiden dat op een telefoon die achtergebleven is in de woning van de aangeefster DNA is aangetroffen dat overeenkomt met het DNA van de verdachte. De verdachte heeft daarvoor geen aannemelijke verklaring gegeven.
Het hof neemt bij het bewijs de modus operandi omschreven onder I, II, III en IV. in aanmerking, die overeenkomt met de modus operandi van feit 2.16.
Gelet op de aangifte gaat het hof uit van de betrokkenheid van twee mannen.
Het namens de verdachte aangevoerde alternatieve scenario met betrekking tot het DNA op de achtergebleven telefoon acht het hof zonder nadere onderbouwing niet aannemelijk.”
51. Tot slot heeft het hof in een bewijsoverweging in de bijlage bij het arrest nog het volgende overwogen:
“Medeplegen
Ten aanzien van de feiten waarbij het hof bewezen acht dat de verdachte deze tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd overweegt het hof als volgt.
Gelet op de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien en bij gebreke van een verklaring van de verdachte over zijn aandeel in de bewezen verklaarde feiten is het hof van oordeel dat er sprake is geweest van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen de bij het feit of de feiten betrokken personen dat medeplegen kan worden bewezen.”
52. De steller van het middel klaagt – om redenen die ik onder randnummer 11 reeds uiteen heb gezet – tevergeefs dat uit de bewijsvoering van het hof niet volgt dat de bankpas met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening is “
weggenomen”. Daarnaast wordt geklaagd dat uit deze bewijsvoering niet volgt dat de bankpas van de aangeefster [slachtoffer 5] ook daadwerkelijk is overhandigd aan de man die ’s avonds via de portiek-intercom aanbelde, dat het de verdachte, dan wel de medeverdachte was die de aangeefster [slachtoffer 5] op 23 mei 2017 heeft gebeld en/of bij haar heeft aangebeld en de bankpas en pincode bij haar heeft opgehaald, noch dat de verdachte, tezamen en in vereniging met een ander € 1.250,- heeft gestolen met gebruikmaking van die bankpas en pincode.
53. In weerwil van hetgeen door de steller van het middel hieromtrent wordt betoogd, steunt de bewezenverklaring niet slechts op de verklaring van de aangeefster [slachtoffer 5] . Het hof heeft daarbij ook (niet onbegrijpelijk) betrokken:
(i) dat in de woning van de aangeefster een
nietaan haar toebehorende telefoon is gevonden waarop DNA-sporen van de verdachte zijn aangetroffen, waarvoor de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven, en
(ii) de bij het incident gehanteerde modus operandi (die overeenkomt met die van feit 2.16).
54. Gelet op het voorgaande acht ik het onder 5 onder c bewezenverklaarde niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
55. De klacht faalt.
Deelklacht V bewezenverklaring van feit 5 onder d en feit 6 – zaak 2.14
56. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans niet begrijpelijk, dan wel ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 5 onder d bewezenverklaarde medeplegen van diefstal en het onder 6 medeplegen van poging tot oplichting.
57. Ten laste van de verdachte is onder 5 onder d en feit 6 bewezenverklaard dat:
“5.
hij in de periode van 17 april 2017 tot en met 9 juni 2017 met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen
(…)
d.) te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, een tas (met inhoud: bankpas, geldbedrag en andere passen) (zaak 2.14)
toebehorende aan [slachtoffer 6] (geboren in 1940) (…)”
“6.
hij op 17 april 2017 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, dor het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[slachtoffer 6] (geboren in 1940) (zaak 2.14)
te bewegen tot het ter beschikking stellen van gegevens te weten haar pincode, heeft gezegd dat er bij die [slachtoffer 6] was ingebroken en die [slachtoffer 6] heeft gebeld en gezegd dat hij van de politie was en die [slachtoffer 6] heeft gevraagd haar pincode af te geven,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
”
58. De bewezenverklaring steunt in het bijzonder op de volgende bewijsmiddelen:
“
(2.14)
54.
Een
proces-verbaal aangifted.d. 17 april 2017 van de politie Eenheid Midden-Nederland met nr. PL0900-20171114809-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (blz. 620 e.v.):
als de op 17 april 2017 afgelegde verklaring van
[slachtoffer 6], geboren op [geboortedatum] 1940, wonende [i-straat 1] te [plaats] :
Ik doe aangifte van diefstal van mijn tas met behulp van een babbeltruc.
Op 17 april 2014 (het hof leest: 2017), omstreeks 14.10 uur, kwam ik terug bij mijn woning. Ik had boodschappen gedaan bij de Albert Heijn op het grote winkelcentrum van […] . Toen ik naar de portiekdeur liep zag ik dat er een man de deur van het portiek open hield. Ik hoorde hem zeggen: "Komt u verder mevrouw".
Ik ben de man gepasseerd en mijn woning ingegaan. Ik zag in mijn ooghoek dat de man linksaf ging. Toen ik mijn woning inging heb ik mijn handtas in de woonkamer of in het halletje gezet.
Ik hoorde vervolgens de bel van de voordeur. Toen ik de deur open deed zag ik dat het de eerdergenoemde man was. Ik hoorde hem zeggen dat:
- hij van de politie was
- er was ingebroken
- er iemand binnen was
- die persoon boven zat
- ik maar even boven moest gaan kijken.
De man stond al binnen. Echter, ik vertrouwde de man niet en zei tegen hem dat ik niet naar boven ging. Ik zag dat de man mij een papiertje met een telefoonnummer overhandigde. Ik hoorde hem zeggen: "Bel maar als er iets is." Ik zag vervolgens dat de man toen weg ging. Toen de man weg was ben ik naar de woonkamer gelopen. Ik zag toen dat mijn tas met daarin mijn portemonnee weg was.
Toen u bij mij was werd ik gebeld door het volgende nummer: [telefoonnummer] . Ik hoorde toen een mannenstem zeggen dat:
- hij [naam] heet
- hij van de politie is
- zij iemand hebben aangehouden
- zij haar tas hebben
- dat er een portemonnee in zat.
Uw collega heeft toen de telefoon van mij overgenomen. Ik ben hierna nog meerdere malen telefonisch benaderd door de man die zich voordeed als politieman en mijn pincode wilde ontfutselen.
Ik heb niemand toestemming gegeven mijn tas met inhoud weg te nemen.
Ik geef geen toestemming voor wederrechtelijk gebruik van het ontvreemde.
De goederen genoemd in de bijlage werden weggenomen:
Bijlage goederen
Bankbescheiden (het hof begrijpt: pinpas) ING-bank
Tas
Portemonnee
2 toegangspassen
35 euro.
55.
Een
proces-verbaal van verhoor van getuigend.d. 23 november 2018 van de raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij het gerechtshof Den Haag. Dit proces-verbaal houdt onder meer in:
als de op 23 november 2018 afgelegde verklaring van
[slachtoffer 6]:
Ik heb die man gebeld. Hij nam op en ik hoorde hem toen tegen iemand zeggen: "Het wordt me nu te gevaarlijk, hoor".
56.
Een
proces-verbaal van bevindingend.d. 17 april 2017 Eenheid Midden-Nederland met nr. PL0900-2017114809-2. verbaal houdt onder meer in (blz. 617 e.v.):
als
relaasvan de betreffende opsporingsambtenaar [verbalisant 2] :
Op 17 januari 2017 deed ik dienst met een collega. Omstreeks 14.10 uur waren we bij de bewoonster van de woning [i-straat 1] , [slachtoffer 6] .
Terwijl wij met haar in gesprek waren werd zij op haar mobiele telefoon gebeld. Dit was om 14.24 uur. Ik hoorde dat zij opnam en opgelucht reageerde. Ik hoorde dat zij zei: "oh dus jullie hebben de tas gevonden, wat fijn!". Ik heb de telefoon van [slachtoffer 6] overgenomen en mij voorgedaan als de zoon van [slachtoffer 6] . Ik hoorde een mannenstem die zich voorstelde, als [naam] van de politie. Ik hoorde dat hij zei dat hij een persoon had aangetroffen die de tas van [slachtoffer 6] had gestolen. Ik hoorde hem zeggen dat die persoon nu vast zat op het politiebureau in […] en dat hij hem zo zou gaan verhoren. Ik heb gevraagd of hij de tas terug kon brengen naar [slachtoffer 6] . Ik hoorde vervolgens dat hij opsomde welke spullen er allemaal in de tas zaten. Ik hoorde hem vervolgens zeggen dat hij de tas vanavond terug zou kunnen brengen. Hij zou vanavond om 18.00 uur een collega langs sturen. Ik heb het gesprek vervolgens beëindigd.
Om 15.21 uur werd [slachtoffer 6] opnieuw door de man gebeld. Uit het gesprek begreep ik dat de man de pincode van de pinpas van [slachtoffer 6] wilde hebben. Dit gesprek duurde ongeveer 10 minuten, waarbij de man eigenlijk alleen bezig was om de pincode te weten te komen. Na het gesprek hoorde ik van [slachtoffer 6] dat de man had gezegd dat hij om 17.00 uur een collega langs zou sturen.
Om 15.41 uur werd [slachtoffer 6] weer gebeld. De man vroeg om het telefoonnummer van haar zoon. [slachtoffer 6] heeft vervolgens mijn telefoonnummer aan de man doorgegeven.
Ik zag in de telefoon van [slachtoffer 6] dat alle oproepen van de man afkomstig waren van-telefoonnummer [telefoonnummer] .
Nadat ik telefonisch overleg had gehad met een collega zag ik dat ik een gemiste oproep had van bovengenoemd telefoonnummer. Ik heb dit nummer teruggebeld.
Dit gesprek heb ik kunnen opnemen.
Direct nadat ik de verbinding had verbroken werd [slachtoffer 6] weer gebeld door hetzelfde telefoonnummer. Een mannenstem zei tegen [slachtoffer 6] dat hij werkzaam was voor de ING-bank. Hij gaf aan dat hij de pas wilde blokkeren maar daar de pincode van de pinpas voor nodig had. [slachtoffer 6] heeft de code niet gegeven.
[slachtoffer 6] gaf na het gesprek aan dat ze zeker wist dat dit dezelfde man betrof als die zich voordeed als politieagent.
Na dit gesprek hebben wij gewacht of er iemand naar de woning van [slachtoffer 6] zou komen. Omstreeks 17.30 uur was dit nog niet het geval.
57.
Een
proces-verbaal van bevindingend.d. 27 juni 2017 van de politie Basisteam Utrecht-Noord met nr. 2017114809, onderzoek 31babbel17. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (blz. 628-629):
als
relaasvan de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 21 april 2017 ontving ik een geluidsfragment van collega [verbalisant 2] . Hierop stond een telefoongesprek dat [verbalisant 2] had gevoerd met een persoon die vermoedelijk betrokken was bij de diefstal uit woning. Hierover had [verbalisant 2] gerelateerd in zijn proces-verbaal van bevindingen 2017114809-2.
Ik heb het geluidsfragment beluisterd. Ik hoorde het volgende:
V(erdachte): Hallo, goeiemiddag, met [naam] (fonetisch)
P(olitieambtenaar) : Goedendag met [verbalisant 2] .
V: Ja goedendag [verbalisant 2] , ik heb net uh in de tas gekeken van uh van uw moeder uh uh [slachtoffer 6] maar ik kan uh haar pinpas heb ik niet kunnen vinden. Ik heb alleen haar ov-chipkaart kunnen vinden, haar bibliotheekpasje...
V: Dus uh ik weet niet of u uh of u wat gegevens van haar weet want ik heb hier wat gegevens in de computer gevonden...
V: En ik heb haar pasje onmiddellijk uh voor haar blokkeren..
V: Ja klopt, het
Maar twee minuten en dan ga ik het gelijk voor haar effe blokkeren zodat er uh, want wij hebben haar pasje niet kunnen vinden.
V: Dus waarschijnlijk is het weggegooid. Ik heb hier gegevens de van haar gekregen via de ING-bank, dat is [slachtoffer 6] .
V: [rekeningnummer] .
Opmerking verbalisant: het betreft een rekeningnummer [001] . Dit rekeningnummer correspondeert met het rekeningnummer van aangeefster [slachtoffer 6] .
V: Ja klopt, uh ik ik uh nou uh wilt u de oude pas (onverstaanbaar) want ze krijgt van ons een nieuwe pas maar wilt ze oude pincode want als het goed is woont ze op de [i-straat] als ik het goed heb.
V: Oh [i-straat] sorry ja. [i-straat] . Welke dag zou ik uh uh, wel (onverstaanbaar) sowieso een nieuwe pasje, maar wilt zij haar oude pincode behouden of uh nieuwe pincode? Want we weten niet of degene de pincode van haar heeft?
V: Ja ik denk dat ik haar toch gewoon een nieuwe pincode ja ik denk dat we haar gewoon een nieuwe pincode geven ik weet niet of u uh de oude pincode nog weet, dan druk ik die even in de computer.
…
P: Ik begreep van haar dat zij, dat zij uh door u gebeld was en dat u om vijf uur langskwam
V: Ja dat klopt.
V: Maar een uurtje eerder gaat mijn collega erheen.
V: Dus uh...
V: Ik ga kijken of dat uh mijn collega dat kan regelen.
P: Ze is nogal wantrouwend maar ik denk dat als er hier iemand staat die van de politie is dat u ja dat het dan wel goedkomt.
V: Is goed dan laat ik mijn collega dat wel even regelen.
P: Ok is prima.
(Afscheid)
58.
Een
proces-verbaal Stemherkenningverdachte [verdachte] d.d. 25 juli 2017 van de Districtsrecherche Den Haag-Zuid met nr. 109, onderzoek […] / DH3R0170057. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (blz. 636) :
als
relaasvan de betreffende opsporingsambtenaar:
Bij de overdracht van de aangifte van de babbeltruc gepleegd op 17 april 2017 op de [i-straat] te [plaats] werd een CD verstrekt met daarop een geluidsfragment van een telefoongesprek tussen een politiemedewerker en de verdachte.
Door het afluisteren van de telecommunicatie van de vriendin van [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] was ik op de hoogte van de stem van de verdachte [verdachte] .
Tijdens het uitluisteren van de verkregen CD herkende ik direct de stem van de verdachte [verdachte] . Ter vergelijking werden door mij hierop nog diverse tapgesprekken beluisterd.
Ik herkende de stem van de verdachte aan de klankkleur, de spreeksnelheid en de nasale stemklank.”
59. Voorts bevat het arrest van het hof de volgende bewijsoverweging:
“2.14 [slachtoffer 6]
Het hof verwijst naar de gehanteerde bewijsmiddelen. Daaruit is af te leiden dat een man met de aangeefster mee het portiek inloopt van het appartementencomplex waar zij woont. De aangeefster wordt gebeld door een man die zegt dat ze haar tas hebben en die vraagt om de pincode. De politie neemt het gesprek over.
Een opsporingsambtenaar heeft het gesprek beluisterd en daarin de stem van de verdachte herkend. Het hof heeft geen reden om aan de betrouwbaarheid van die herkenning te twijfelen gelet op de wijze waarop de herkenning tot stand is gekomen. De verdachte heeft geen aannemelijke verklaring gegeven voor dit telefoongesprek en derhalve geen uitleg gegeven over zijn betrokkenheid bij de ten laste gelegde feiten.
Gelet op de aangifte gaat het hof ervan uit dat bij de feiten twee mannen betrokken zijn geweest. [Nu de aangifte geen aanwijzingen bevat dat de man in de woning dezelfde man was als de man die de aangeefster belde gaat het hof ervan uit dat, evenals in een aantal andere zaken het geval is, bij de feiten twee mannen betrokken zijn geweest].”
60. Tot slot heeft het hof in een bewijsoverweging in de bijlage bij het arrest nog het volgende overwogen:
“Medeplegen
Ten aanzien van de feiten waarbij het hof bewezen acht dat de verdachte deze tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd overweegt het hof als volgt.
Gelet op de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien en bij gebreke van een verklaring van de verdachte over zijn aandeel in de bewezen verklaarde feiten is het hof van oordeel dat er sprake is geweest van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen de bij het feit of de feiten betrokken personen dat medeplegen kan worden bewezen.”
61. Het middel klaagt over de motivering van het oordeel van het hof dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een ander, gericht op het medeplegen van diefstal en het medeplegen van een poging tot oplichting.
62. Uit de bewijsmiddelen blijkt (onder meer) dat één man – die zich voordeed als politieagent – bij de aangeefster binnen is geweest en haar een telefoonnummer gaf, terwijl zij daarna werd gebeld door een man die zich voorstelde als
“ [naam] ”van de politie. Die laatste man wilde – kort gezegd – de pincode van de aangeefster ontfutselen. Met die man heeft een verbalisant – die zich daarbij voordeed als de zoon van de aangeefster – ook gesproken. Vervolgens is de aangeefster – via hetzelfde nummer als dat waarvan die [naam] haar had gebeld – gebeld door iemand die zich voordeed als iemand die werkzaam was bij de ING-bank en ook hij wilde haar haar pincode ontfutselen. De aangeefster heeft over die laatste persoon verklaard dat zij zeker wist dat dit dezelfde man was die zich voordeed als politieagent (zie de bewijsmiddelen 54 en 56). Vervolgens is in het gesprek dat de verbalisant (die zich voordeed als de zoon van de aangeefster) had met voornoemde [naam] , de stem van de verdachte herkend (zie: bewijsmiddel 58). Het hof heeft in dit kader overwogen dat “
nu de aangifte geen aanwijzingen bevat dat de man in de woning dezelfde man was als de man die de aangeefster belde […] het hof ervan uit[gaat] dat, evenals in een aantal andere zaken het geval is, bij de feiten twee mannen betrokken zijn geweest”.
63. Het hof stond bij de beoordeling van het tenlastegelegde voor de vraag of sprake was van de betrokkenheid van een ander bij de diefstal en de poging tot oplichting. De rechtbank had in eerste aanleg overwogen dat het dossier onvoldoende aanwijzingen bevat dat naast de verdachte nog een ander bij deze zaak is betrokken en had de verdachte vrijgesproken van het medeplegen. Het hof is tot een ander oordeel gekomen en in cassatie rijst de vraag of dit oordeel onvoldoende begrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd is. Naar mijn mening is dat niet het geval. Het hof heeft gebruik gemaakt van schakelbewijs en heeft aansluiting gezocht bij andere ten laste van de verdachte bewezen verklaarde en vergelijkbare feiten, terwijl niet is gebleken van contra-indicaties. Mede gelet op de bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – acht ik het oordeel van het hof dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een ander niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
64. De klacht faalt.
Deelklacht VI bewezenverklaring van feit 5 onder f – zaak 2.16
65. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans niet begrijpelijk, dan wel ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 5 onder f bewezenverklaarde diefstal van een tas met inhoud toebehorende aan [slachtoffer 7] .
66. Ten laste van de verdachte is onder 5 onder f bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 17 april 2017 tot en met 9 juni 2017 met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen
(…)
f) te ’ [plaats] een tas (met inhoud: sleutels en bankpas) (zaak 2.16) toebehorende aan
[slachtoffer 7] (geboren in 1934) (zaak 2.16)”
67. De bewezenverklaring steunt met name op de volgende bewijsmiddelen:
“
(2.16)
59.
Een
proces-verbaal aangifted.d. 2 juni 2017 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2017150208-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (blz. 656 e.v.):
als de op 31 mei 2017 afgelegde verklaring van
[slachtoffer 7], geboren op [geboortedatum] 1934, wonende [j-straat 1] te [plaats] :
Ik woon op de eerste etage van een flat.
Op 31 mei 2017 omstreeks 18.00 uur liep ik de afgesloten centrale hal van de flat binnen. Ik stond bij de brievenbussen toen er een jonge man naast mij kwam staan. Hij begroette mij vriendelijk en vroeg of hij met mij mee kon lopen omdat hij ook in de flat moest zijn. De man zei tegen mij dat hij op bezoek ging bij zijn oma.
In de lift vertelde de man dat er twee jongens waren opgepakt die in mijn woning waren geweest. We stapten samen, op de eerste etage, de lift uit.
Ik deed de deur van mijn woning open en de man liep achter mij aan. Hij vertelde nogmaals tegen mij dat er twee jongens waren opgepakt die in mijn woning waren geweest. Hij vroeg aan mij: moeten we niet samen kijken wat er allemaal is weggenomen? De man liep ongevraagd via de hal mijn woonkamer binnen. Ik zag dat hij in de hal en in de woonkamer enkele lades opendeed. De man vroeg mij waar ik de enveloppe met geld had neergelegd. Misschien was die wel weg, zei hij nog. Hij vroeg aan mij mijn telefoonnummer omdat de politie deze nodig had om nog enkele vragen te stellen. Ik gaf de man mijn telefoonnummer. De man had ook nog in de slaapkamer en in de badkamer enkele lades opengetrokken. Vervolgens verliet hij mijn woning. Niet veel later ben ik op zoek gegaan naar mijn schoudertas. Deze lag altijd onder de zitting van mijn rollator. Ik zag dat dit tasje er niet meer lag. Al snel had ik in de gaten dat de jonge man dit tasje waarschijnlijk had weggenomen. In dit schoudertasje zaten onder meer sleutels en een pinpas van de ING-bank.
Signalement:
Jonge man
Licht getint
Nederlands sprekend
20 a 30 jaar oud