ECLI:NL:PHR:2020:1219
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over geldigheidsduur machtiging voortgezet verblijf na termijnoverschrijding Wet zorg en dwang
In deze zaak staat centraal de vraag of een verzoek tot het verlenen van een opvolgende machtiging tot voortgezet verblijf op grond van de Wet zorg en dwang (Wzd), ingediend na het verstrijken van de geldigheidsduur van de voorafgaande machtiging onder de Wet Bopz, gevolgen heeft voor de duur van de nieuwe machtiging.
De rechtbank Limburg had een machtiging verleend voor twee jaar, ondanks dat het verzoek daartoe twee dagen na het verstrijken van de vorige machtiging was ingediend. Betrokkene stelde dat dit onrechtmatig was en dat de nieuwe machtiging slechts voor maximaal zes maanden had mogen worden verleend, met aftrek van de periode zonder geldige machtiging.
De Hoge Raad bevestigt dat op grond van het overgangsrecht de oude machtiging gelijkgesteld wordt met een machtiging onder de Wzd en dat het verzoek buiten de termijn is ingediend. Dit leidt ertoe dat de periode zonder geldige machtiging in mindering moet worden gebracht op de geldigheidsduur van de nieuwe machtiging. De Hoge Raad vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover de machtiging liep tot 24 juli 2022 en bepaalt dat de machtiging geldig is tot 6 juli 2022.
De uitspraak benadrukt het belang van de wettelijke termijnen en de bescherming van de betrokkene tegen onrechtmatige vrijheidsbeneming, terwijl ook rekening wordt gehouden met het overgangsrecht en de specifieke regels voor psychogeriatrische cliënten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het besluit voor zover de machtiging liep tot 24 juli 2022 en bepaalt dat de machtiging geldig is tot 6 juli 2022.