Conclusie
1.Overzicht
managing director. De belanghebbende wordt sindsdien door Singapore als inwoner in de belastingheffing betrokken.
management-assistentie aan belanghebbendes Singaporese directie;
execution only/custodian, waarna dat (grootste) deel van belanghebbendes vermogen niet meer actief werd beheerd;
geschilis of Nederland onder het belastingverdrag met Singapore c.q. de Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK) bevoegd was dividendbelasting van P te heffen, zodat de belanghebbende inhoudingsplichtig was. Zowel de
Rechtbankals het
Hofmeenden zij dividendbelasting had moeten inhouden en afdragen.
BNB2001/295 onderzocht of het Verdrag met Singapore de belanghebbende beperkt belastingplichtig maakt in Nederland door haar Verdragswoonplaats in Singapore te lokaliseren, want als dat zo is, staat de BRK in de weg aan Nederlandse heffing. Hij heeft op grond van HR
BNB2005/106 de Inspecteur belast met het bewijs dat belanghebbendes
management and control(zie art. 3 Verdrag Pro Singapore) niet berustte bij het statutaire bestuur in Singapore, maar bij een andere persoon, in Nederland. Hij heeft de Inspecteur geslaagd geacht in het bewijs dat de kernbeslissingen, eindverantwoordelijkheid en instructie (zie HR
BNB2018/68) vooral in Nederland werden genomen, nl. door kantoor NL en door Zoon, in voorkomende gevallen mogelijk in samenspraak met P, van wie onduidelijk was waar hij dan was. Het Hof heeft hetgeen de belanghebbende daartegenover heeft gesteld onvoldoende geacht om dat bewijs te ontkrachten. Hij heeft daarbij het bewijsrisico ter zake van resterende onduidelijkheid over belanghebbendes ‘diffuse’ bestuursconstellatie en de
whereaboutsvan de veel reizende P ten tijde van bestuurlijke kernbeslissingen voor rekening van de belanghebbende gelaten.
tie breakerin art. 34(2) BRK niet toekwam en de belanghebbende als inwoner van alleen Nederland heeft beschouwd, zodat Nederland dividendbelasting kon heffen op het uitgaande dividend.
BNB2018/68 voor ‘geleid en bestuurd’ in art. 3(4) Verdrag verkeerd uitgelegd en ten onrechte de leiding bij kantoor NL en Zoon in Nederland gelokaliseerd. Belastingadviseurs nemen geen ondernemingsbeslissingen en Zoon was geen functionaris of aandeelhouder van de belanghebbende. Wie de uitvoering leidde, is niet relevant. Het Hof heeft de Nederlandse (leiding bij)
uitvoeringshandelingen ten onrechte aangemerkt als
bestuurlijkekernbeslissingen, eindverantwoordelijkheid en instructie; hij heeft onvoldoende onderzocht wat er in Singapore gebeurde. Het Hof heeft bovendien de gebruikelijkheidstoets van HR
BNB1987/306 niet of verkeerd toegepast;
whereabouts;
domicile,
residenceof
place of managementex art. 3 Verdrag Pro;
tie breakerin art. 34 BRK Pro moeten toepassen.
BNB2005/106) als de correcte inhoudelijke maatstaf voor de toepassing van de
tie breakerin het Verdrag gebruikt (die van HR
BNB2018/68). Hij heeft correct de Inspecteur belast met het bewijs dat belanghebbendes
management and controlniet in Singapore lag, maar in Nederland. Hij heeft na gedetailleerde vaststelling en weging van door de Inspecteur aangevoerde feiten en omstandigheden geoordeeld dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de kernbeslissingen, eindverantwoordelijkheid en instructie (zie HR
BNB2018/68) vooral in Nederland vielen, althans significant meer in Nederland dan in Singapore, nl. bij kantoor NL en bij Zoon, al dan niet in samenspraak met P, van wie onduidelijk was waar die was. Het Hof heeft vervolgens bezien wat de belanghebbende, naar wie de bewijslast dan is verschoven en die zelf haar ‘diffuse’ bestuurs-situatie heeft doen ontstaan, daartegenover heeft gesteld. Dat was zijns inziens onvoldoende. Het Hof kon daarbij het bewijsrisico van resterende onduidelijkheid bij de belanghebbende laten. Het Hof heeft zijn bewijsoordeel eerst programmatisch samengevat (r.o. 5.16) en het vervolgens gedetailleerd onderbouwd en uitgewerkt, uitgesplitst naar vennootschappelijke activiteit ter zake waarvan kernbeslissingen genomen werden, eindverantwoordelijkheid gedragen moest worden en instructie aan uitvoerenden gegeven moest worden, met name de activiteiten (certificaten)
holding, financiering (leningen), vermogensbeheer en afschudding van Nederlandse heffingsaanspraken.
management and control(vooral) zat, lijkt mij de keuze voor Nederland nauwelijks ontkoombaar, gegeven de vastgestelde feiten, die mijns inziens geen andere conclusie toelaten dan dat de directie in Singapore weinig voorstelde.
whereaboutsbij de belanghebbende gelaten, naar wie de bewijslast was verschoven. Ik zie daarin geen rechtskundige fouten, onjuiste bewijslast-verdeling of onvoldoende motivering.
corporate tie breakerin het Verdrag (1971) en die in het OESO-Modelbelasting-verdrag (1963). Die betekenis is er volgens mij niet: ‘managed and controlled’ in het Verdrag betekent mijns inziens hetzelfde als ‘effective management’ in het OESO-Model.
tie breakin belastingverdragen bij een positief woonplaatsconflict. Mijns inziens geldt die verwijzing naar nationaal recht niet voor de mijns inziens Verdragsautonoom uit te leggen criteria van de
tie break, zoals in casu ‘managed and controlled.’
- ‘managed and controlled’ in art. 3(3) Verdrag met Singapore hetzelfde betekent als ‘effective management’ in art. 4(3) van OESO-gemodelleerde belastingverdragen;
- oprichtingsrecht een ‘similar criterion’ is als
- de regel van het Drielandenpuntarrest HR BNB 2001/295 niet alleen geldt in de verhouding tot Caribisch Nederland (de BRK), maar ook onder OESO-gemodelleerde belastingverdragen met soevereine Staten; en
tie break, zoals in casu ‘managed and controlled’.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten en het geschil
managing director. Zij wordt sindsdien door Singapore als inwoner in de belastingheffing betrokken.
- op 2 maart 2010: € 6.860.000;
- op 20 december 2010: € 210.000.
- Zij heeft ter zake van deze uitkeringen aangiften dividendbelasting gedaan inhoudende dat geen dividendbelasting was verschuldigd.
management-assistentie aan belanghebbendes Singaporese directie;
execution only/custodian. Dat (grootste) deel van belangbebbendes vermogen werd vervolgens niet meer actief beheerd;
geschilis of Nederland onder het belastingverdrag met Singapore c.q. de BRK bevoegd was dividendbelasting van P te heffen over de in 2.6 genoemde dividenden, zodat de belanghebbende inhoudingsplichtig was.
corporate tie breakerin art. 3(4) Verdrag gaat het er dan om waar de belanghebbende ‘geleid en bestuurd’ wordt.
BNB2018/68 (zie 5.3 hieronder) volgt volgens de Rechtbank dat daarvoor beslissend is waar de kernbeslissingen over belanghebbendes activiteiten worden genomen, waar de eindverantwoordelijkheid voor die beslissingen wordt gedragen en waar de binnen de BV werkzame personen worden geïnstrueerd, en dat niet van belang is wie de dagelijkse leiding heeft bij de uitvoering daarvan. Nu belanghebbendes formele bestuur is gevestigd in Singapore, rust volgens HR
BNB1993/193 (zie 5.1 hieronder) op de inspecteur de last aannemelijk te maken dat zij niet in Singapore wordt ‘geleid en bestuurd’.
BNB2018/68 niet de plaats van de werkelijke leiding bepaalt. Nu de belanghebbende aldus niet werd ‘geleid en bestuurd’ vanuit Singapore, staat het Verdrag niet in de weg aan Nederlandse heffing.
BNB2001/295 eerst bezien worden of de BRK Nederlandse heffing verhindert. De belanghebbende was volgens art. 2(1)(d) BRK in Nederland volledig als inwoner onderworpen, gegeven de vestigingsplaatsfictie in art. 2(4) Wet Vpb, die volgens de parlementaire geschiedenis een ‘soortgelijke omstandigheid’ is als de ‘plaats van leiding’ in art. 2(1)(d) BRK, maar als het Verdrag met Singapore de Nederlandse onderworpenheid beperkt tot broninkomen, is de belanghebbende in Nederland slechts beperkt onderworpen en staat de BRK in de weg aan Nederlandse heffing. Het Hof heeft zich daarom verdiept in het Verdrag met Singapore.
BNB2018/68 volgt dat het er dan om gaat waar (i) de kernbeslissingen over belanghebbendes activiteiten worden genomen, (ii) de eind-verantwoordelijkheid voor die beslissingen wordt gedragen en (iii) instructie wordt gegeven aan de binnen de belanghebbende werkzame personen. Anders dan de Rechtbank, meent het Hof dat de Inspecteur niet alleen aannemelijk moet maken dat de belanghebbende in 2010 niet werd geleid en bestuurd door de directie in Singapore, maar ook door wie dan wel, en waar. Het Hof achtte de Inspecteur geslaagd in het bewijs dat de belanghebbende in Nederland werd geleid en bestuurd, nu hij aannemelijk heeft gemaakt dat kantoor-NL initiërend en coördinerend optrad voor belanghebbendes kernactiviteiten en dat zowel kantoor NL als P’s zoon belangrijke bestuursinstructies gaven aan de directie in Singapore. Het Hof heeft daarbij bepaalde belangrijke beslissingen en initiatieven van P niet als bestuur aangemerkt, maar als aandeelhoudershandelingen. Het Hof heeft ten slotte geoordeeld dat de belanghebbende het door de Inspecteur geleverde bewijs niet heeft ontkracht met hetgeen zij daartegenover heeft aangevoerd, waarbij hij het bewijsrisico ter zake van resterende onduidelijkheid over P’s
whereaboutsten tijde van bepaalde kernbeslissingen en over belanghebbendes ‘diffuse’ bestuursconstellatie bij de belanghebbende heeft gelaten.
tie breakvan art 34(2) BRK. Ook voor de toepassing van de BRK was de belanghebbende dus inwoner van Nederland, zodat Nederland ex art. 11(2) BRK dividendbelasting kan heffen.
NLF2020/0671 als volgt becommentarieerd:
Geleid en bestuurd versus werkelijke leiding
NTFR202/1803 als volgt becommentarieerd:
3.Het geding in cassatie
covid proofdoen bepleiten door hun advocaten, bijgestaan door een keur van deskundigen.
BNB2018/68 (
Singapore-arrest) geformuleerde criteria voor ‘geleid en bestuurd’ in art. 3(4) Verdrag verkeerd uitgelegd en ten onrechte geoordeeld dat de werkelijke leiding bij kantoor NL lag en dat Zoon kernbeslissingen nam. Algemeen bekend is dat belastingadviseurs geen ondernemingsbeslissingen nemen, en Zoon was geen aandeelhouder en had geen officiële functie bij de belanghebbende. Wie de dagelijkse leiding bij de uitvoering heeft, is niet relevant. Als handelingen van kantoor NL en van Zoon al kunnen worden aangemerkt als ‘instructie aan de binnen het lichaam werkzame personen’, dan nog had het Hof ook de andere criteria moeten beoordelen, met name de plaats van de kernbeslissingen en die van de eindverantwoordelijkheid, die door het formele bestuur in Singapore werd gedragen. Bij zijn beoordeling wie de kernbeslissingen nam, had het Hof de gebruikelijkheidstoets uit HR
BNB1982/306 (bedoeld zal zijn: 1987/306 [7] ) moeten toepassen.
tie breakerin de BRK moeten toepassen.
BNB2018/68 (
Singapore-arrest), HR
BNB1993/193 en HR
BNB2005/106, en op die basis de bewijslast correct heeft verdeeld. Van een bewijsvermoeden is volgens hem geen sprake; de Inspecteur heeft met de feiten die hij aannemelijk heeft gemaakt aan zijn initiële bewijslast voldaan en het was vervolgens aan de belanghebbende - die de diffuse bestuurssituatie heeft doen ontstaan - om aannemelijk te maken dat het anders was. Zij heeft daartoe alle gelegenheid gehad en daar ook gebruik van gemaakt. De enkele stelling dat haar adviseurs louter (fiscaal) advies hebben gegeven en louter een ondersteunende taak hadden, heeft het Hof niet als (voldoende) ontkrachting van het door de Inspecteur geleverde bewijs beschouwd. Voor het overige gaat het volgens de Staatssecretaris om waardering van bewijsmiddelen, inclusief getuigenverklaringen, die voldoende is gemotiveerd. Art. 10(7) Verdrag (verbod op extraterritoriale bronheffing) acht hij niet relevant, nu de belanghebbende Verdragsinwoner van Nederland is. ’s Hofs oordeel dat de belanghebbende in 2010 op basis van art. 2(1)(d) BRK voor de toepassing van de BRK uitsluitend inwoner van Nederland was, geeft volgens de Staatssecretaris geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel acht hij voor het overige verweven met waardering van feiten en gebaseerd op aan het Hof voorbehouden waardering van bewijsmiddelen, zodat het in cassatie niet op juistheid wordt getoetst.
door de Singaporese directiebeëindigde discretionaire beheer – bestond uit louter uitvoering, mede gegeven dat na die beëindiging (vanuit Singapore) geen actief vermogensbeheer meer werd gevoerd. Het Hof heeft volgens de belanghebbende ten onrechte ‘monitoring’ van vermogensbeheer als kernbeslissing in plaats van als uitvoering aangemerkt en ook overigens bestuur (kernbeslissingen ex HR BNB 2018/68) en uitvoering door elkaar gehaald. Het gaat daarbij haars inziens om gemengde en niet louter feitelijke oordelen.
Alsde kernbeslissingen al buiten Singapore zijn genomen, dan toch door P in Sint Maarten en niet door kantoor NL, aldus de belanghebbende. Weliswaar kan ook de belastingadviseur kernbeslissingen nemen, maar dat is een zo uitzonderlijke situatie dat het Hof een dergelijk oordeel (veel) beter had moeten motiveren dan hij gedaan heeft.
BNB2018/68. Dat de feitelijke leiding van een vennootschap ook bij een belastingadviseur kan liggen, blijkt volgens hem uit HR ECLI:NL:HR:2020:1619, [8] HR
BNB2016/48 [9] en
BNB1993/193 [10] .
De regels: de Nederlandse wet, de BRK, het Verdrag met Singapore, het OESO Modelverdrag 1963 en de Singapore Income Tax Act
i.e.als zij in Nederland ten volle aan de winstbelasting is onderworpen (
full tax liability) én haar werkelijke leiding zich in Nederland bevindt. Naar nationaal recht is zij inwoner van Nederland op grond van haar oprichtingsrecht (art. 2(4) Wet Vpb en art. 1(3) Wet Divb), zodat zij naar nationaal recht ten volle is onderworpen in Nederland. Nederland kan dan heffen, tenzij (i) die Nederlandse onderworpenheid wordt beperkt door een belastingverdrag dat belanghebbendes inwonerschap toewijst aan een andere Staat (Singapore), waardoor zij in Nederland nog maar beperkt binnenlands belastingplichtig zou zijn, of (ii) haar werkelijke leiding zich niet in Europees Nederland, maar in Caribisch Nederland bevindt. Ik merk op dat belanghebbendes situatie omgekeerd is aan die van de belanghebbende in het Drielandenpuntarrest HR
BNB2001/295
.In die zaak kon toewijzing van de heffingsbevoegdheid aan de Antillen door de BRK in de weg staan aan Nederlandse
full tax liabilitydie onder het Verdrag met België vereist was voor Nederlands heffingsrecht. In belanghebbendes geval is het andersom: toewijzing aan Singapore door het Verdrag met Singapore zou in de weg staan volledige onderworpenheid in Nederland die volgens de BRK vereist is voor toewijzing aan Nederland. Met het Hof meen ik dat de
tie breakin art. 34(2) BRK, die strookt met art. 4(3) OESO-Model, [15] full tax liabilityvereist voor toewijzing. Ik meen dus dat uw r.o. 3.7 in het Drielandenpuntarrest geldt voor alle belastingverdragen en -regelingen met een OESO-Modelconforme woonplaatsbepaling. U zou dat in deze zaak kunnen expliciteren.
corporate tie breakerin art. 3(4) Verdrag met Singapore of de belanghebbende in de verhouding tussen Nederland en Singapore fiscaal alleen hier of alleen daar is gevestigd. Die bepaling luidt in de twee gelijkelijk authentieke talen als volgt:
secondary withholding taxesen
branch profits taxes:
INCOME TAX ACT (CHAPTER 134)
5.Rechtspraak
BNB1993/193 [19] betrof de vraag of een naar Antilliaans recht opgerichte NV X met statutaire zetel op Curacao naar de omstandigheden beoordeeld in Nederland was gevestigd. U overwoog:
BNB2005/106 [20] betrof de vraag of een statutair op de Antillen gevestigde NV feitelijk werd bestuurd in Nederland. U overwoog:
Singapore-arrest HR
BNB2018/68 [21] u als volgt over de
corporate tie breakerin art. 3(4) van het Verdrag met Singapore:
Verdragsvestigingsplaats encorporate tie breaker; ‘managed and controlled’; doctrine en discussie
BNB2018/68 onder meer het volgende onder het
Singapore-arrest:
FED2018/75 op het
Singapore-arrest op de hieronder (6.3) geciteerde passage uit het OESO-Modelcommentaar 1963, dat zijns inziens de opvatting steunt dat ‘managed and controlled’ in het Verdrag met Singapore hetzelfde betekent als ‘effective management’ in het OSEO-Modelbelastingverdrag. Hij vervolgt:
BNB1993/193. In dit arrest overwoog de Hoge Raad in r.o. 3.3 als volgt:
corporate tie breakin art. 4(3) OESO-Model:
corporate tie breakvan een overigens OESO-gemodelleerd belastingverdrag hetzelfde betekent als ‘effectively managed’ of ‘effective management’ in het OESO-Modelbelastingverdrag, met name als het gaat om een belastingverdrag met een voormalige Britse kolonie of onderdeel van de Britse
Commonwealthzoals Singapore, dat op 16 September 1963 onafhankelijk werd van het VK, vervolgens na een korte aansluiting bij de Maleisische federatie geheel onafhankelijk werd op 9 August 1965 en zich een jaar later (9 augustus 1966) met een jaar terugwerkende kracht aansloot bij de Britse
Commonwealth [36] .
company, terwijl het nationale recht refereert aan het bestuur en de leiding van de
business(onderneming) van die rechtspersoon. Dat is niet hetzelfde en het laat ruimte voor een andere locatie van de leiding van de rechtspersoon dan de locatie van de leiding van de onderneming van die rechtspersoon. Verder is de volgorde van
managementen
controlomgekeerd, maar dat lijkt mij – met name in dit verband -
neither here nor there, of
neither there nor here.
Singapore-arrest: een
tie breakvoor de Verdragswoonplaats kan naar zijn aard niet functioneren als hij niet eenduidig naar slechts één van beide Verdragslanden wijst. Zijn betekenis lijkt mij dan welhaast per definitie
nietde eenzijdige nationaalrechtelijke, tenzij het Verdrag dat expliciet zou bepalen, hetgeen niet het geval is.
tie breakhet nationaal-Singaporees-rechtelijke inwonerbegrip inhoudt, gegeven ook de verschillen tussen de Verdragsterm en de nationale Singaporese term (zie 6.6 hierboven), die mij groter lijken dan die tussen de Verdragsterm (
managed and controlled) en art. 4(3) OESO-Modelverdrag 1963 (
effective management) (zie 6.3 – 6.5 hierboven).
managed and controlled’ de betekenis van de niet identieke nationale Singaporese term niet van belang. Doel en strekking van een
corporate tie breaklijken mij ook te impliceren dat art. 3(2) van het OESO-Modelverdrag (art. 2(2) Verdrag met Singapore), dat voor niet omschreven Verdragstermen verwijst naar het nationale recht van de Staat die het Verdrag toepast (dat is in casu Nederland; niet Singapore), niet geldt voor de uitleg van de criteria die de
tiemoeten verbreken. Aan een
tie break-criterium (in casu: ‘where it [the company] is managed and controlled’) komt mijns inziens naar zijn aard -
omals
tie breakte kunnen fungeren - een autonome Verdragsbetekenis toe. In termen van de algemene uitlegregels van het Weense Verdragenverdrag waarnaar u in het Singapore-arrest verwees: de ‘context’ en ‘object and purpose’ van (een
tie breakerin) een belastingverdrag eisen dat.
tie breakcriterium in het Verdrag ook overigens niet gemeenschappelijk opgehelderd, zoals in casu, dan eisen mijns inziens de ‘context’ en ‘object and purpose’ van een
tie breakerdat het
tie breakcriterium in het Verdrag de betekenis heeft die het OESO-Commentaar er aan gaf ten tijde van de Verdragsluiting, aangenomen dat het om een OESO-gemodelleerd belastingverdrag gaat. Op de gronden vermeld in 6.3 en 6.4 meen ik dat het Verdrag met Singapore op dit punt als OESO-gemodelleerd beschouwd moet worden. De term ‘managed and controlled’ betekende in de
common lawdestijds immers hetzelfde als ‘effective management’, welke laatste term vrij toevallig gekozen werd voor het OESO-Modelverdrag 1963, en uit nationaal Singaporees recht volgt dat ook Singapore onder ‘managed and controlled’ in zijn Verdragen niet automatisch hetzelfde verstaat als onder de term ‘the control and management of whose business’ in zijn nationale wet; die nationale term wijkt immers af van de Verdragstekst (zie 6.5 hierboven) en zijn nationale wet bepaalt expliciet (zie 4.5 hierboven) dat de definities in de Singaporese
Income Tax Actniet gelden als “the subject or context otherwise requires” en dat is het geval bij een Verdragsterm die tot exclusieve woonplaatsaanwijzing moet leiden waar het nationale recht juist een niet-gewenste dubbele woonplaats veroorzaakt. Ik meen dus dat art. 2(2) Verdrag (verwijzing naar nationaal recht), zelfs als het wel zou gelden voor
tie breaks, ook in Singapore niet leidt tot toekenning van dezelfde betekenis aan de Verdragsterm ‘in which it is managed and controlled’ als aan de nationale term ‘a company (…) the control and management of whose business is exercised in Singapore’.
tie breakssteun in
Klaus Vogel on Double Tax Conventions, die het op dit punt weliswaar alleen heeft over de
tie breakvoor de Verdragswoonplaats van natuurlijke personen, maar ik zie niet in waarom het anders zou zijn voor de Verdragsvestigingsplaats van entiteiten (ik laat voetnoten deels weg): [37]
Singapore-arrest een autonome Verdrags-betekenis gaf aan de uitdrukking ’geleid en bestuurd’/‘managed and controlled’ aan de hand van de uitlegregels van het Weense Verdragenverdrag, maar het verklaart volgens de annotatoren niet dat die autonome “gewone betekenis van die uitdrukking in haar context en in het licht van het voorwerp en het doel van artikel 3, lid 4, van het Verdrag” wijst naar:
isde ‘gewone’ betekenis als het gaat om de term ‘managed and controlled’ in de context en naar doel en strekking van een
corporate tie break: als er slechts één plaats van leiding en bestuur van een vennootschap aangewezen moet worden, is dat de plaats waar zich de meeste bestuurlijke macht, de meeste bestuurlijke consequenties en de meeste bevelsbevoegdheid bevinden. Het gaat daarbij om de
feitelijkemacht, verantwoordelijkheid en bevelsbevoegdheid: men komt aan deze beoordeling immers pas toe als het
formele(statutaire) bestuur kennelijk niet de echte baas is (zie de arresten in 5.1 en 5.2 hierboven); ik ga er (dus) vanuit dat de bewijslastverdeling ter zake van de plaats waar een lichaam
managed and controlledwordt volgens de gewone betekenis in het licht van doel en strekking, niet verschilt van de bewijs-lastverdeling bij de vraag waar een lichaam ‘naar de omstandigheden’ beoordeeld, gevestigd is in de zin van art. 4(1) AWR zoals aan de orde in de arresten geciteerd in 5.1 en 5.2.
dual resident companiessinds 2017 geen
tie breakmeer bevat die de vestigingsplaats van niet-natuurlijke personen exclusief toewijst aan de plaats van feitelijke leiding. Het Model gaat nu uit van een ‘case by case solution’: de betrokken vennootschap moet vragen om ontdubbeling van haar verdragsvestigingsplaats in een
mutual agreement proceduretussen de twee betrokken Staten; als die het daarover niet eens worden, kan de vennootschap zich niet op het Verdrag beroepen. Art. 4(3) van het OESO-Modelbelastingverdrag luidt sinds 2017:
fiscal committeevoor de verdragsvestigingsplaats van een niet-natuurlijke persoon ‘the place where it is incorporated or otherwise constituted’ en ‘its place of effective management’ gelijkelijk ‘relevant’ acht. Dat was in 1963 minder duidelijk: het 1963-commentaar op art. 4(3) OESO-Model constateerde dat sommige lidstaten ‘registration’ al voldoende achtten voor
full tax liabilityvan rechtspersonen, maar vond dat kennelijk wel de uitzondering. Dat Commentaar zei echter geenszins dat oprichtingsrecht géén ‘criterion of a similar nature’ zou zijn als
domicile,
residenceof
place of management, maar verwees voor de vraag of een rechtspersoon onderworpen was aan
full tax liabilityzonder voorbehoud naar de nationale criteria voor een dergelijke fiscale aanknoping. U zie de onderdelen uit dat Commentaar die het Hof heeft geciteerd in zijn r.o. 5.7.1. Ik merk daarbij op dat de
common law, althans Brits recht, dat kennelijk van groot belang was bij de keuze van het
tie breakcriterium in het 1963-Model (zie 6.3 en 6.4 hierboven), zogenaamde
non-domiciled residents(
non-doms) kent,
i.e.‘UK residents who have their permanent home (‘domicile’) outside the UK’. [41] Ook dat zijn dus nogal formeel onderworpenen: zij hebben hun permanente (werkelijke) woonplaats elders.
domicile,
residenceof
place of managementin de zin van art. 4 OESO Pro-Model, maar dat veel buitenlandse commentatoren daar anders over denken. Die mogelijke discussie lijkt mij in casu echter niet relevant omdat (i) de belanghebbende niet bestrijdt dat oprichtingsrecht in elk geval in de verhouding tot Sint Maarten een ‘soortgelijke omstandigheid’ is als ‘plaats van leiding’ in de zin van art. 2(1)(d) BRK, en (ii) het oprichtingsrecht niet meer ter zake doet als de fiscus stelt, zoals hij in casu doet, dat (ook) de feitelijke leiding in Nederland zit: volgens uw bewijsregel in HR
BNB2005/106 (zie 5.2 hierboven) - waarvan ik dus aanneem dat die niet alleen geldt voor de toepassing van art. 4(1) AWR, maar ook bij bepaling van de Verdragsvestigingsplaats van vennootschappen - legt het oprichtingsrecht (Nederland) het af tegen de plaats van het statutaire bestuur (Singapore), zodat het alleen nog gaat om een conflict tussen twee
places of management and control: zowel Nederland als Singapore zien in hun jurisdicties een
place of management and controlin de zin van art. 3
lid 1Verdrag, zodat volgens
lid 3bepaald moet worden waar de
meeste(de meestbepalende /
effective)
management and controlzit. Ook als de belanghebbende geen Nederlands oprichtingsrecht zou hebben, was zij volgens de fiscus en het Hof in Nederland volledig belastingplichtig in verband met de bestuurlijke invloed vanuit Nederland van kantoor NL en van Zoon, al dan niet in samenspraak met P, van wie onduidelijk was waar die ten tijde van bepaalde bestuurlijke besluiten was.
full tax liabilityzou worden erkend, is er dus in casu nog steeds een dubbele vestigingsplaats in de zin van lid 1 van art. 3 Verdrag Pro. Ik meen overigens dat oprichtingsrecht van rechtspersonen (vergelijkbaar met nationaliteit van natuurlijke personen, want het oprichtingsrecht bepaalt of een rechtspersoon überhaupt juridisch bestaat en belastingsubject is) wel degelijk een ‘criterion of a similar nature’ is als
domicile, residenceof
place of management.
Klaus Vogel on Double Tax Conventions, [42] die twee interpretaties van ‘any criterion of a similar nature’ mogelijk acht en die een enge, nl. territoriale invulling prefereert (ik laat voetnoten weg):
Klaus Vogel, lijkt mij echter, zoals gezegd, de ruime interpretatie de juiste: een Staat bepaalt soeverein welke juridische figuren hij als rechtspersoon erkent en welke natuurlijke personen hij als onderdaan beschouwt, en aan welke aanknopingspunten hij
full tax liabilityvan die (recht)personen knoopt. Als hij die onderworpenheid aan oprichtingsrecht of nationaliteit knoopt, zijn die criteria mijns inziens
daardoor‘similar’ aan territoriale criteria voor
full tax liabilityzoals woonplaats en plaats van leiding. Anders gezegd: wordt een bepaald criterium dat een persoon civiel aan een jurisdictie knoopt (nationaliteit, geboorte, oprichtingsrecht of registratie) ook gebruikt om die persoon qua fiscale onderworpenheid gelijk te stellen aan een ingezetene, dan lijkt het mij
daardoor‘any other criterion of a similar nature’ als
domicile,
residenceof
place of managementin de zin van art. 4 OESO Pro-Model.
domicile, residenceof
place of managementin de woonplaatsbepaling.
7.Beoordeling van de cassatiemiddelen
Algemeen
BNB2005/106 (zie 5.2 hierboven), de Inspecteur heeft belast met het bewijs dat de belanghebbende (vooral) in Nederland werd bestuurd, en dat hij hem daarin op basis van uw inhoudelijke maatstaf van HR
BNB2018/68 (zie 5.3 hierboven) geslaagd heeft geacht. Het Hof heeft vervolgens bezien en gewogen wat de belanghebbende, naar wie de bewijslast dan verschuift en die haar ‘diffuse’ bestuurssituatie heeft doen ontstaan, daartegenover heeft gesteld tot ontkrachting van dat bewijs. Dat was zijns inziens onvoldoende om onaannemelijk te maken dat de leiding (vooral) in Nederland zat, en hij heeft het bewijsrisico ter zake van de resterende onduidelijkheid bij de belanghebbende gelaten. Het Hof heeft eerst zijn bewijsoordeel eerst programmatisch aldus weergegeven:
holding, (lening)financiering, vermogensbeheer en afschudding van Nederlandse heffingsaanspraken. Hij heeft dat gedaan op basis en met duiding van de door de Inspecteur aangevoerde, door het Hof vastgestelde en niet of onvoldoende door de belanghebbende weersproken feiten. Zijn bewijslastverdeling op al die punten strookt mijns inziens met HR
BNB2005/106 (zie 5.2 hierboven), en op basis van de inhoudelijke
tie breakcriteria waaraan het Hof moest toetsen (HR
BNB2018/68), acht ik zijn bewijsoordeel goed gemotiveerd, erg feitelijk en niet onbegrijpelijk.
management and control, lijkt mij ‘s Hofs keuze voor Nederland nauwelijks ontkoombaar, gegeven de door de feitenrechters vastgestelde feiten, die mijns inziens geen andere conclusie toelaten dan dat de directie in Singapore erg weinig voorstelde en kostte en dat veel meer kernbeslissings-, eindverantwoordelijkheids- en instructiegewicht in Nederland viel dan in Singapore.
whereraboutsen over de door de belanghebbende veroorzaakte ‘diffuse’ bestuursconstellatie bij de belanghebbende lag. P nam weliswaar belangrijke beslissingen c.q. initiatieven, zoals die tot het (goedkeuren van het) (door hem) inlenen van geld van de belanghebbende, tot het (aan hem) doen uitkeren van dividenden door de belanghebbende, en goedkeuring van voorkeursrechtsuitoefening ter zake van de certificaten PP, maar P bam die volgens het Hof als aandeelhouder(svergadering) en niet als feitelijke bestuurder van de belanghebbende. Ter zake van kernbeslissingen waarbij P betrokken was die wél als bestuur kunnen worden aangemerkt, is het Hof niet steeds duidelijk geworden waar P was. Gegeven dat P kennelijk erg veel vloog, ook naar Nederland, onder meer vanwege zijn betrokkenheid bij belanghebbendes deelneming (de [C] , waarbij ook Zoon was betrokken) en vanwege gezins- en familiebanden, heeft het Hof het (bewijs)risico van onduidelijkheid omtrent P’s
whereaboutsbij de belanghebbende gelaten, naar wie de bewijslast was verschoven, gegeven het door de inspecteur geproduceerde bewijs van de frequentie en duur van P’s aanwezigheid in Nederland.
Onderdeel abetoogt dat het Hof (1) HR
BNB1993/193 (zie 5.1 hierboven) verkeerd – te ruim - heeft toegepast doordat volgens hem ‘de ander’ (die de werkelijke leiding heeft in plaats van het statutaire bestuur) ook kan bestaan uit een combinatie van de zoon en de Nederlandse belastingadviseurs van de aandeelhouder, al dan niet in samenspraak met die aandeelhouder, en (2) HR
BNB2018/68 (zie 5.3 hierboven) heeft miskend, door uit te gaan van een onjuiste rechtsopvatting van het begrip 'de dagelijkse leiding hebben bij de uitvoering van een en ander'. Het tweede middelonderdeel betoogt dat het Hof de gebruikelijkheidstoets van HR
BNB1987/306 verkeerd heeft uitgelegd.
BNB1993/193 alleen de aandeelhouder kan zijn en (2) het Hof
bestuurverwart met (voor de vestigingsplaats irrelevante)
uitvoering.
closely heldcertificaathoudster- en beleggings-BV alleen bij de enige aandeelhouder kan berusten als het niet bij het statutaire bestuur berust, lijkt mij onjuist. Bij pleidooi heeft de belanghebbende die stelling dan ook genuanceerd aldus dat bestuur door een belastingadviseur zó ongebruikelijk is dat het Hof beter had moeten motiveren. Ik meen dat dit een vergeefse poging is om de - na de bewijslevering door de Inspecteur - naar de belanghebbende verschoven (tegen)bewijslast terug te duwen naar de Inspecteur, of om het Hof een niet-bestaande verzwaarde motiveringsplicht op te leggen. Het Hof heeft overigens niet alleen de bemoeienis van kantoor NL, maar ook die van Zoon in zijn oordeel betrokken, alsmede het door de Inspecteur geleverde bewijs van frequentie en duur van P’s aanwezigheid in Nederland, en heeft daarbij het bewijsrisico ter zake van de onduidelijkheid over de precieze
whereaboutsvan P tijdens belangrijke bestuursbeslissingen bij de belanghebbende gelaten, hetgeen hij kon doen, gezien zijn begrijpelijke oordeel dat de belanghebbende zelf haar ‘diffuse’ bestuursconstellatie heeft bewerkstelligd.
bestuurheeft aangemerkt en als
uitvoeringhad moeten aanmerken. Bij pleidooi heeft de belanghebbende doen toelichten dat het Hof heeft miskend wat ‘kernbeslissingen’ ex HR BNB 2018/68 zijn, het duidelijkst bij het vermogensbeheer, dat volgens de belanghebbende - behalve juist bij het
door de Singaporese directiebeëindigde discretionaire beheer – bestond uit louter uitvoering, mede gegeven dat na die beëindiging (vanuit Singapore) geen actief vermogensbeheer meer werd gevoerd. Het Hof heeft volgens de belanghebbende ten onrechte ‘monitoring’ van vermogensbeheer als kernbeslissing in plaats van als uitvoering aangemerkt en ook overigens
bestuur(kernbeslissingen ex HR BNB 2018/68) en
uitvoeringdoor elkaar gehaald. Het gaat daarbij haars inziens om gemengde en niet louter feitelijke oordelen.
Alsde kernbeslissingen al buiten Singapore zijn genomen, dan toch door P in Sint Maarten en niet door kantoor NL, aldus de belanghebbende.
BNB2018/68) aangelegd bij zijn uitleg van de
tie breaker(kernbeslissingen, eindverantwoordelijkheid, instructie) en hij heeft die criteria toegepast op de vastgestelde feiten. Het ging daarbij, behalve om bewijslastverdeling, om de vraag of een bepaald handelen of nalaten door bepaalde personen in één van drie hoedanigheden was gedaan (aandeelhouder, (feitelijk) bestuurder of uitvoerder), en - bij het handelen of nalaten in een van de laatste twee hoedanigheden - wáár dat handelen of nalaten dan geschiedde. Beantwoording daarvan lijkt mij, zoals eerder opgemerkt, in hoge mate feitelijk, zodat de cassatierechter een zeer beperkte rol heeft. Ik zie in ’s Hofs kwalificaties als bestuurs-, aandeelhouders- en uitvoeringshandelingen geen verkeerd begrip van wat bestuurlijke kernbeslissingen zijn. Voor wat betreft de kernbeslissingen met betrekking tot vermogensbeheer kon het Hof mijns inziens oordelen dat die vooral in Nederland vielen, gegeven dat (i) P blijkens zijn emails niet eens wist dat geen actief vermogensbeheer werd gevoerd en (ii) Singapore niets deed na de beëindiging van het actieve vermogensbeheer. Het enige wat toen nog overbleef, was wat het Hof ‘monitoring’ noemde, dat hij in Nederland waarnam. Dat is niet onbegrijpelijk.
uitvoeringzag bij zowel Singapore, als bij kantoor Cariben, als bij kantoor NL. Dat kantoor NL zich óók bezig hield met (leiding geven aan) de
uitvoering, wil niet zeggen dat het niet ook mede
bestuurde, in voorkomend geval tezamen met Zoon en/of de niet te lokaliseren P.
BNB1987/306, doordat het Hof in zijn overwegingen over de bestuurlijke kernbeslissingen niet heeft gemotiveerd dat de aandeelhouder ‘meer invloed heeft uitgeoefend’ dan ‘gebruikelijk’ voor een enige aandeelhouder. Het betoogt dat er rekening mee moet worden gehouden dat de invloed van een enige aandeelhouder op het bestuur van een BV zonder onderneming en zonder werknemers per definitie groot is omdat (i) bij zo’n BV het vennootschappelijke belang in hoge mate samenvalt met het belang van de aandeelhouder en (ii) de aandeelhouder het bestuur kan ontslaan en vervangen.
mogelijkin samenspraak met P, van wie onduidelijk was waar die was. Onderdeel b klaagt mijns inziens dus over een niet-bestaand oordeel. Het lijkt een herhaalde poging om de bewijslast terug te duwen naar de fiscus, die echter al aan zijn bewijslast had voldaan, of om het Hof een niet-bestaande motiveringsplicht op te leggen. Het was aan de belanghebbende om het door de fiscus geleverde bewijs te ontkrachten.
BNB2005/106 (zie 5.2) niet alleen aannemelijk maken dat de kernbeslissingen niet door het bestuur in Singapore werden genomen, maar ook door wie en waar zij dan wél werden genomen.
Rechtbankachtte het inderdaad voor de toepassing van het Verdrag met Singapore niet vereist dat de Inspecteur bewees waar het bestuur dan wél zat als het niet in Singapore zat, maar het
Hofheeft op dat punt expliciet de bewijsmaatstaf verbeterd in die van HR
BNB2005/106: de Inspecteur moest ook aannemelijk maken dat de leiding (wel) in Nederland zat. Het Hof achtte de Inspecteur daarin geslaagd, waarna het Hof bezien heeft wat de belanghebbende daartegenover stelde en dat onvoldoende heeft bevonden. Herhaling van de abstracte stelling dat het ‘van algemene bekendheid (is) dat aan de beslissingen om een vennootschap (…) te verplaatsen en vervolgens dividenduitkeringen te doen, een advies een belastingadviseur ten grondslag kan en zal liggen, maar dat die beslissingen niet worden genomen door de belastingadviseur doch door de aandeelhouder’ kon het Hof passeren als irrelevant als ontkrachting van de door de Inspecteur aangedragen bewijsmiddelen.
BNB2005/106) en ten onrechte de bewijslast bij de belanghebbende hebben gelegd door van haar te verlangen dat zij het door de Inspecteur geleverde bewijs ontkrachtte door opheldering te geven hoe het dan wél zat als het, zoals zij stelde, niet zo zat zoals de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt, waarbij het Hof – volgens de belanghebbende kennelijk ten onrechte – meewoog dat de belanghebbende ook in de beste positie verkeerde om die opheldering te geven.
BNB2005/106 tot uitgangspunt genomen: de Inspecteur moest bewijzen dat het bestuur (vooral) in Nederland en niet (zozeer) in Singapore zat. Dat is de Inspecteur volgens het Hof gelukt op basis van de vele, door het Hof in zijn r.o. 2.6.7, 2.7.3, 2.10.4.1, 2.10.5, 2.14.2 en 2.16.2 opgesomde, door de Inspecteur aangevoerde en niet of onvoldoende weersproken feiten en omstandigheden (u zie ’s Hofs r.o. 5.16). Is bewijs geleverd, dan verschuift het bewijsrisico naar de andere partij, te meer als de mogelijkheden tot ontkrachting van het geleverde bewijs zich in diens macht bevinden, zoals het Hof in casu niet-onbegrijpelijk meent. Met bewijsnood heeft dat niets te maken; het bewijs was immers al geleverd door de Inspecteur. De belanghebbende heeft dat vervolgens niet ontkracht, aldus het Hof. Dat strookt geheel met de regels van het fiscale bewijsrecht. U zie bijvoorbeeld HR
BNB1996/89, [43] over toepassing van
fraus legis, waarbij de initiële bewijslast eveneens op de Inspecteur rust:
BNB2015/106) en met de criteria waaraan voldaan moet worden voor localisering van
management and controlonder het Verdrag met Singapore (HR
BNB2018/68). Zij had in alle instanties de gelegenheid de door de fiscus aangedragen bewijsmiddelen te bestrijden en dat heeft zij ook uitgebreid gedaan (ook volgens haarzelf (p. 10 cassatieberoepschrift): ‘Belanghebbende wijst erop dat zij zeer gedetailleerd de rol van de verschillende personen bij de kernbeslissingen heeft beschreven en gedocumenteerd’), waaruit volgt dat geen sprake kan zijn van een verrassingsbeslissing of een onvermoed vermoeden. Het is de belanghebbende steeds duidelijk geweest om het bewijs van welke feiten het ging en bij wie de bewijsrisico’s waarvan lagen.
domicile, residence, or place of management.
tie breakerhad moeten toepassen.
tie breakerin art. 34(2) BRK niet meer toekwam. Hij heeft voor de motivering van zijn antwoord verwezen naar onderdeel III van zijn uitspraak, over belanghebbendes vestigingsplaats in de verhouding tussen Singapore en Nederland. Dat is mijns inziens voldoende motivering en geenszins moeilijk te volgen, gegeven dat het Hof in onderdeel III (i) bewezen achtte dat de
management and controlvan de belanghebbende (vooral) in Nederland zat, nl. bij Kantoor NL en Zoon (en P als die in Nederland was); (ii) bewezen achtte dat Kantoor Cariben slechts ondersteunende en uitvoerende taken had en (iii) het bewijsrisico ter zake van de onzekerheid over de
whereaboutsvan de veel heen en weer vliegende P ten tijde van kernbeslissingen en over belanghebbendes ‘diffuse’ bestuursconstellatie voor haar rekening kon laten.
full tax liabilityin Caribisch Nederland geen sprake was.
full tax liabilitymeebrengende plaats van leiding op Sint Maarten zou zijn geweest en dus de
tie breakvan art. 34(2) BRK had moeten worden toegepast, ligt in ’s Hofs oordeel besloten dat Nederland dan de
winneren Sint Maarten de
loserwas geweest: van de drie mogelijke plaatsen (Singapore, de Cariben en Nederland), was volgens ’s Hofs feitelijke oordeel Nederland het beste bedeeld qua bestuurlijke kernbeslissingen, eindverantwoordelijkheid voor bestuurshandelingen en instructie aan uitvoerenden.
8.Conclusie
- ‘managed and controlled’ in art. 3(3) Verdrag met Singapore hetzelfde betekent als ‘effective management’ in art. 4(3) van OESO-gemodelleerde belastingverdragen;
- oprichtingsrecht een ‘similar criterion’ is als
- de regel van het Drielandenpuntarrest HR BNB 2001/295 (Nederlands inwonerschap van een vennootschap onder belastingverdrag A verdwijnt - zodat Nederland geen dividendbelasting kan heffen op door die vennootschap aan inwoners van A uitgekeerd dividend - als belastingverdrag B de
- bepalingen conform art. art. 3(2) OESO-Modelbelastingverdrag (verwijzing naar nationaal recht voor niet in het Verdrag omschreven termen) niet gelden voor de Verdragsautonoom uit te leggen criteria die de