Conclusie
[eiser], in mannelijk enkelvoud) en verweerders in cassatie (hierna afzonderlijk: [verweerder 1] resp. [verweerster 2] ; gezamenlijk:
[verweerder] [1] , in mannelijk enkelvoud) over de verdeling van de nalatenschap van hun (schoon)ouders. Partijen verschillen onder meer van mening over de verdeling van het voormalig woonhuis van de ouders.
1.Feiten en procesverloop
in conventie,samengevat gevorderd dat de rechtbank:
in reconventiesamengevat gevorderd dat de rechtbank:
tussenvonnis van 13 juni 2012 [10] heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast. Deze heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2012. Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt.
tussenvonnis van 27 februari 2013 [11] heeft de rechtbank wat betreft het woonhuis geoordeeld dat de akte van 8 november 1985 een vervaltermijn van drie maanden bevat voor het inroepen van het recht van eerste koop en dat [eiser 2] dat recht weliswaar pas na het verstrijken van die termijn heeft ingeroepen, maar dat het in de omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om [eiser 2] het recht van eerste koop tegen de in de akte van 8 november 1985 vermelde voorwaarden te ontzeggen. Volgens de rechtbank betekent dit dat het woonhuis moet worden toebedeeld aan [eiser 2] en dat dit in de verdeling moet worden betrokken voor de in de akte van 8 november 1985 vermelde maximum (agrarische) waarde van f 65.000 (rov. 4.18-4.20). De vordering tot toekenning van een gebruiksvergoeding zal worden afgewezen (rov. 4.28-4.30). Op grond van hetgeen is overwogen omtrent het recht van koop, komt de rechtbank de vordering van [eiser] tot medewerking aan levering van het woonhuis aan [eiser 2] tegen betaling van de in de akte genoemde maximale prijs ad f 60.000 niet onjuist voor; de rechtbank zal daarover bij eindvonnis beslissen (rov. 4.31-4.32).
vermeerderdmet de vorderingen:
tussenvonnis van 10 september 2014 [13] heeft de rechtbank geoordeeld dat de (vermeerderde) vorderingen IV en V van [verweerder] voor afwijzing gereed liggen (rov. 2.6-2.9).
vermeerderdmet de vordering dat [eiser] dit bedrag aan de nalatenschap van de moeder dient te betalen. [14]
tussenvonnis van 8 juni 2016 [15] heeft de rechtbank overwogen dat het woonhuis nog niet aan [eiser 2] is geleverd zodat de betaling van de waarde daarvan (€ 29.495) nog niet opeisbaar is en een lening van moeder aan hem van dit bedrag niet aan de orde is geweest, waaruit volgt dat de desbetreffende (vermeerderde) vordering bij eindvonnis zal worden afgewezen (rov. 2.9).
eindvonnis van 26 april 2017 [16] met betrekking tot het woonhuis als volgt overwogen:
primair) de waarde in het economisch verkeer ten tijde van de feitelijke verdeling,
subsidiairde agrarische waarde en te bepalen dat [eiser 2] wettelijke rente is verschuldigd in geval van een eerdere peildatum;
grieven IV tot en met VIIzijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat, kort gezegd, het woonhuis aan [eiser 2] moet worden toegedeeld en geleverd tegen een bedrag van f 60.000 / € 29.495,71 (tussenvonnis d.d. 27 februari 2013, rov. 4.20, 4.32; eindvonnis d.d. 26 april 2017, rov. 2.25 en 3.1).
Grief VIIIkeert zich tegen het oordeel dat met het verlenen van de koopoptie geen sprake is van bevoordeling uit vrijgevigheid en dat aan een beoordeling van de omvang van de gestelde gift niet wordt toegekomen (tussenvonnis d.d. 10 september 2014, rov. 2.9). Met
grief IXwordt opgekomen tegen het oordeel dat een lening voor de koopsom van € 29.495 niet aan de orde is geweest (tussenvonnis d.d. 8 juni 2016, rov. 2.9).
grief IX) overweegt het hof dat, nu van verkoop geen sprake is, die schuld niet is ontstaan en [verweerder] het bestaan van een lening overigens niet nader heeft onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbij gaat (rov. 5.36).
grieven IV-VIIten aanzien van de verdeling van het woonhuis slagen;
grief VII(bis)ten aanzien van de gebruiksvergoeding faalt;
grief VIIIten aanzien van de vraag of de koopoptie van de woning een gift is, geen bespreking behoeft;
grief IXten aanzien van de lening van € 29.495 faalt (rov. 6.1).
2.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
3.Bespreking van de cassatiemiddelen
het rechtsmiddelenregister) is overgegaan.
een deel van de akte. Volgens de toelichting maakt dit mogelijk dat voor wat betreft de verklaring van de eiser een akte wordt opgemaakt en dat de rechterlijke uitspraak in de plaats treedt van de
verklaring van de gedaagde. [30] Anders gezegd: de uitspraak vervangt de verklaring van de vervreemder dat hij levert. Voor de verklaring van de verkrijger zal een notariële akte moeten worden opgemaakt, waarna door inschrijving van de uitspraak en de laatstgenoemde akte levering plaatsvindt. Hier bestaat gelijkenis met de in lid 1 gegeven mogelijkheid. [31]
ambtshalvedient na te gaan of aan het voorschrift is voldaan, waarbij geen plaats is voor onderzoek naar de vraag of sprake is (geweest) van benadeling van derden als gevolg van dit verzuim. Het bepaalde strekt niet ter bescherming van het belang van de wederpartij van degene die het rechtsmiddel heeft ingesteld. [33]
oordelen die betrekking hebben op dat gedeelte van de bestreden uitspraak dat blijkens het dictum in de plaats treedt van de tot levering bestemde akteen
daarmee onlosmakelijk verbonden oordelen. [35]
onderdeel 2.1.
dit vonnis (…) in de plaats zal treden van de door [ [verweerder] ] te verrichten benodigde rechtshandelingen voor de levering aan [eiser 2] van de hiervoor in 3.2 (…) genoemde onroerende zaken”indien [verweerder] niet binnen twee weken na de betekening van dit vonnis zijn medewerking verleent (rov. 3.4).
“in de plaats zal treden”van de door [verweerder] te verrichten rechtshandelingen (eindvonnis, rov. 2.26), lees ik rov. 3.4 van het eindvonnis zo dat de rechtbank daar art. 3:300 lid 2 BW Pro heeft toegepast.
grieven IV t/m VII(MvG, nrs. 22-33). Deze hebben alle betrekking op het oordeel van de rechtbank omtrent de uitoefening van het contractuele recht van koop tegen de overeengekomen maximum koopprijs van f 60.000 zoals dat door de rechtbank aan de (voor reële executie vatbaar verklaarde) veroordeling tot medewerking aan levering van het woonhuis ten grondslag is gelegd (tussenvonnis van 27 februari 2013, rov. 4.20 en 4.32; eindvonnis van 26 april 2017, rov. 2.25). Zij strekken o.m. tot betoog dat ontzegging van het recht van koop niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en dat, los daarvan, het recht van koop als gevolg van de vervulling van de eraan verbonden ontbindende voorwaarde is vervallen.