Conclusie
5.Beantwoording vragen door deskundige:
2.Procesverloop
primairde overeenkomsten geheel te ontbinden met veroordeling van partijen tot ongedaanmaking,
subsidiairde overeenkomsten gedeeltelijk te ontbinden met veroordeling van [verweerster] om een deel van de koopprijs terug te betalen, en
meer subsidiair[verweerster] te veroordelen tot betaling van vervangende schadevergoeding, al dan niet op te maken bij staat. Voorts vordert Equip
primair, subsidiair en meer subsidiairvoor recht te verklaren dat [verweerster] gehouden is tot vergoeding van aanvullende schadevergoeding en [verweerster] te veroordelen tot betaling van een bedrag van (na eiswijziging in hoger beroep) € 1.944.733,88, althans een zodanig schadebedrag als het hof juist acht, al dan niet nader op te maken bij staat. [3]
3.Bespreking van het principale cassatieberoep
onderdeel 1en klachten in
onderdeel 2.
Onderdeel 2.1klaagt over het oordeel in rov. 3.12, in verbinding met rov. 3.9, dat geen sprake is van verzuim.
Onderdeel 2.2bestrijdt rov. 3.13 waarin het hof overweegt dat de tekortkoming geen ontbinding rechtvaardigt.
Onderdeel 2.3betreft de overweging over de Metaalunievoorwaarden in rov. 3.14.
Onderdeel 2.4bevat een louter voortbouwende klacht.
subonderdelen 2.1.1 tot en met 2.1.6.
subonderdelen 2.1.1 en 2.1.2slagen naar mijn mening niet. Uit het rapport van de deskundige volgt dat de door deze geconstateerde gebreken in de opbouwen verholpen zijn of nog kunnen worden verholpen. Daarom overweegt het hof in rov. 3.12 dat nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, zodat voor ontbinding en vervangende schadevergoeding verzuim van [verweerster] vereist is (zie art. 6:265 lid 2 respectievelijk Pro art. 6:74 lid 2 BW Pro in verbinding met art. 6:87 lid 1 BW Pro). Het verzuim treedt in indien niet wordt nagekomen binnen een in een ingebrekestelling gestelde termijn (art. 6:82 lid 1 BW Pro) dan wel van rechtswege. Het verzuim treedt van rechtswege in, onder meer, wanneer de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten (art. 6:83 onder Pro c BW). [4] De in deze bepaling bedoelde mededeling van de schuldenaar hoeft niet een expliciete weigering van nakoming van de verbintenis te zijn. De schuldenaar kan bijvoorbeeld ook het bestaan van de verbintenis ontkennen, een onterecht beroep doen op ontbinding of vernietiging van de overeenkomst of alleen tot nakoming willen overgaan op andere voorwaarden dan overeengekomen. [5]
subonderdeel 2.1.1veronderstelt dat de ‘door [verweerster] erkende problemen’ de door de deskundige vastgestelde gebreken als bedoeld in art. 7:17 BW Pro betreffen, berust het op een onjuiste lezing van de bestreden overweging van het hof.
subonderdelen 2.1.1 en 2.1.2aanvoeren, brengt de omstandigheid dat in de brief van 25 februari 2011 iets ontbreekt – namelijk een aanbod om alles (dat wil zeggen: de vanaf de aanvang gerezen problemen) zo spoedig mogelijk en/of kosteloos op te lossen − niet zonder meer mee dat deze brief moet worden opgevat als een mededeling in de zin van art. 6:83 onder Pro c BW.
subonderdeel 2.1.2bedoelde betoog van Equip niet miskend, maar heeft anders geoordeeld dan door Equip was bepleit. Dat er gebreken waren, heeft het hof onderkend; het hof heeft echter beoordeeld of er ter zake van deze gebreken verzuim is ingetreden door de brief van 25 februari 2011 en die vraag ontkennend beantwoord. Nu het hof oordeelde dat het verzuim niet is ingetreden, was de vraag of het verzuim is gezuiverd, niet aan de orde.
subonderdeel 2.1.2aanvoert, getuigen deze oordelen niet van een onjuiste rechtsopvatting en behoeven zij geen nadere motivering.
subonderdeel 2.1.3dat de overweging dat voor het hof duidelijk is dat de omschrijvingen van de opties in de brief van 25 februari 2011 niet corresponderen met de omschrijvingen van de door de deskundige onder 3.9 weergegeven gebreken (rov. 3.12), onbegrijpelijk is in het licht van het deskundigenrapport. Het hof miskent dat de deskundige overweegt dat de gebrekkige mogelijkheid tot het reinigen van het voorfilter nog steeds bestaat met kans op risico en uitval. Daarvan moest optie 3 in de brief van 25 februari 2011 het risico wegnemen.
subonderdeel 2.1.5miskent het hof de devolutieve werking van het appel omdat het in zijn beoordeling niet kenbaar heeft betrokken de stelling van Equip in punt 18 van de inleidende dagvaarding dat in april 2011 een sommatiebrief is gestuurd met het verzoek aan [verweerster] om alsnog aan haar verplichtingen te voldoen ter voorkoming van rechtsmaatregelen. Indien [verweerster] niet reeds op 25 februari 2011 in verzuim is geraakt, dan was dat in elk geval op of rond 7 april 2011 het geval omdat de gebreken niet zijn opgelost en het [verweerster] duidelijk moet zijn geweest wat er niet deugde, wat er van haar verwacht werd en hoe zij in de visie van Equip te kort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, aldus het subonderdeel.
Tenzij-beslissing [10] van de Hoge Raad dient de afweging of de tekortkoming de ontbinding met haar gevolgen rechtvaardigt te geschieden aan de hand van alle omstandigheden van het geval (rov. 3.8.1) en kan niet op voorhand aan één gezichtspunt een beslissende rol worden toegekend (rov. 3.8.2). Het is aan de feitenrechter om te beoordelen of de tekortkoming, gelet op de omstandigheden van het geval, van voldoende gewicht is om de overeenkomst te ontbinden (rov. 3.9).
Tenzij-beslissing.
Subonderdeel 2.2.2klaagt dat het hof in rov. 3.13 een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd dan wel zijn oordeel onbegrijpelijk of onvoldoende heeft gemotiveerd. Daartoe voert het subonderdeel in de eerste plaats aan dat het hof miskent dat het alle omstandigheden in ogenschouw moet nemen bij de beoordeling of de tekortkoming de ontbinding met haar gevolgen rechtvaardigt. Het subonderdeel wijst erop dat het hof bij zijn beoordeling de vastgestelde feiten uit rov. 3.1 (vii) tot en met (xii) had moeten betrekken, dat de opbouwen vanaf de aanvang gebreken hebben vertoond, [verweerster] niet bereid was de gebreken te verhelpen, dat zij in haar brief van 25 februari 2011 erkent dat de opbouwen niet naar behoren kunnen worden ingezet, dat dit door middel van meerwerk tegen extra betaling kan worden opgelost en dat daarvan slechts de (duurste) optie 3 soelaas zal bieden, dat er veelvuldig contact is geweest tussen partijen, dat Equip diverse deskundigen heeft ingeschakeld om de gebreken te laten vaststellen, dat Equip een kort geding heeft gevoerd waarna [verweerster] een van de opbouwen heeft verbeterd, en dat een deskundige heeft bevestigd dat de opbouwen bij aanvang gebreken vertoonden en dat de gebrekkige mogelijkheid tot reiniging van het voorfilter van de vacuümpomp op de datum van het deskundigenbericht nog niet was hersteld.
Onderdeel 2.3komt op tegen de overweging in rov. 3.14:
Onderdeel 2.4bevat een louter op deze onderdelen voortbouwende klacht en slaagt evenmin. Het principale cassatieberoep dient te worden verworpen.
4.Bespreking van het incidentele cassatieberoep
Onderdeel 1is gericht tegen de toewijzing van de verklaring voor recht dat [verweerster] jegens Equip gehouden is tot betaling van aanvullende schadevergoeding en gevolgschade, en veroordeling van [verweerster] tot betaling van die schade op te maken bij staat.
Onderdeel 2klaagt over het oordeel van het hof in rov. 3.14 ten aanzien van de toepasselijkheid van de Metaalunievoorwaarden. Ik bespreek eerst onderdeel 2.
onder 2.12uit van een andere lezing van het arrest en faalt dus in zoverre.
onder 2.1-2.11gaan er terecht van uit dat in de schadestaatprocedure het beroep van Equip op art. 6:233 BW Pro en de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid alsnog zal moeten worden beoordeeld. Voor dat geval formuleert onderdeel 2 van het incidentele middel twee klachten tegen het oordeel.
onder 2.9dat het hof art. 6:247 lid 2 BW Pro heeft miskend. Volgens deze bepaling is afdeling 6.5.3 BW, waartoe de art. 6:233 en Pro 6:237 BW behoren, niet van toepassing op overeenkomsten tussen partijen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf en die niet beide in Nederland zijn gevestigd, ongeacht het recht dat op de overeenkomst van toepassing is.
onder 2.1-2.3).
onder 2.4(dat het hof miskent dat voor verwijzing naar de schadestaat een grond voor toewijzing van schadevergoeding is vereist), niet opgaat.