Conclusie
het verzoek sub I
het verzoek sub II
een bepaalde handelingte verrichten dan wel na te laten. Dit artikel biedt echter niet de mogelijkheid de rechter-commissaris op te dragen een handeling te verrichten, zoals het onder ede horen van [betrokkene 1] .
het verzoek sub III
het verzoek sub IV
2.Inleidende beschouwingen
Dantumadeel [14] . Die zaak staat weliswaar in de sleutel van misbruik van bevoegdheid van faillissementsaanvragers, maar uit rov. 3.4 volgt dat de curator wordt verondersteld een onderzoek te doen naar het vermogen van de schuldenaar dat voldoende grondig moet zijn:
Hoeksma/Tradeuitvoerig deze lege boedel problematiek (in 3.2-3.5), waarvoor in Nederland, anders dan in de landen om ons heen, geen bevredigende oplossing voorhanden is.
dan wel voor het instellen van een verhaalsonderzoek of vooronderzoek naar de mogelijkheden daartoe.” (Onderstreping A-G)
Artikel 2
Artikel 6
vooraf redelijkerwijs kan worden ingeschat dat de kosten die gemoeid zijn met het instellen van de vordering in redelijke verhouding staan tot de te verwachten opbrengst. Daarnaast houdt deze voorwaarde in dat
er een redelijke verhouding moet zijn tussen de gevraagde garantstelling en de hoogte van de schulden.” (Onderstreping A-G)
Artikel 7
Kan een garantie worden aangevraagd voor het laten instellen van een verhaalsonderzoek in het buitenland?
3.Bespreking van het cassatieberoep
casekan worden gesproken. Het hof zou daar mijns inziens over hebben kunnen oordelen dat dit onderzoek ook is verricht door de curator, waarbij deze terecht tot de constatering is gekomen dat indirect bestuurder [belanghebbende] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een belangrijke andere oorzaak dan kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur het faillissement heeft veroorzaakt, te weten dalende melk- en koeienprijzen in combinatie met de gevolgen van de banken- en kredietcrisis, van buiten komende bedrijfs- en macro-economische oorzaken zodoende, die op zich niet verwijtbaar zijn. Los daarvan zou het hof kunnen hebben oordelen dat de curator heeft kunnen oordelen dat het verhaalsperspectief bij een eventuele bestuurdersaansprakelijkheidszaak tegen [belanghebbende] niet gunstig voorkwam.
casehanden en voeten zouden moeten geven. Deze stukken heeft de curator geanalyseerd en vervolgens heeft hij schriftelijk gemotiveerd aan verzoekers kenbaar gemaakt wat zijn beweegredenen waren om geen bestuurdersaansprakelijkheidszaak te willen beginnen en dat hij ook niets zag in een beroep op de Garantstellingsregeling. Dat heeft hij ook op zitting in de beroepszaak nog eens uitvoerig uit de doeken gedaan (vgl. de citaten uit het zittingsp-v in 1.10 hiervoor). De curator achtte zowel de kans van slagen van zo’n aansprakelijkheidsprocedure, als de reële mogelijkheid van verhaal op [belanghebbende] door uitwinning van activa in (Zuid-)Amerika daarvoor te mager. Hoewel het een lang citaat is, lijkt het me voor de beoordeling dienstig de schriftelijke uiteenzetting van deze beweegredenen door de curator aan verzoekers hier weer te geven (e-mail curator 9 november 2018 aan verzoekers, bijlage 6 verweerschrift curator in de beroepszaak):
NJ2002/95 en HR 20 oktober 2006,
NJ2007/2).
valt niet uit te sluiten dat de effecten van de crisis de hiervoor bedoelde andere feiten en omstandigheden zijn waarmee [belanghebbende] zich alsnog kan disculperen. Die lagen immers buiten zijn invloedsfeer en duiden op een bedrijfseconomische (en op zichzelf niet verwijtbare) oorzaak. Een groot voordeel voor [belanghebbende] daarbij is bovendien dat de crises als zodanig vers bij eenieder in het geheugen liggen en
op zichzelf niet te ontkennen omstandighedenzijn.
Ik heb namelijk geen enkel zicht op enig verhaalbaar vermogen bij [belanghebbende] . Daarbij komt dat hij in Brazilië verblijft en dit het een en ander nog verder bemoeilijkt.
vind ik de basis voor het starten van een bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure te smal. U dient daarbij voor ogen te houden dat in zulk(…) een procedure de lat voor de curator erg hoog ligt. Daaraan liggen rechtspolitieke overwegingen ten grondslag die ik niet kan beïnvloeden. De procedure kan gewonnen worden, maar
er is vervolgens geen reëel zicht op verhaal van de schade bij [belanghebbende] , noch in Nederland noch in Brazilië. Daarmee zou de boedel belast worden met een procedure zonder dat het wat oplevert. Naar mijn verwachting zal de rechter-commissaris geen toestemming geven indien er niet een positief boedelactief valt te verwachten.
kan ik vanwege het gebrek aan aantoonbare verhaalsmogelijkheden geen aanspraak maken op enige garantstellingsregeling.
dan ligt het in de rede dat het faillissement op korte termijn wordt voorgedragen voor opheffing.
dat hem enige aansprakelijkstelling van de directie niet opportuun voorkomt. Dit standpunt is vervolgens ook met beide kampen gedeeld, waarna niet meer is vernomen. De curator gaat er vanuit dat beide kampen in zijn conclusies berusten.” (Onderstrepingen A-G)
nietgevolgd, maar overwogen, kort samengevat, dat
een andere lijnin rov. 3.9.6- 3.9.8, nadat het overigens in rov. 3.9.2 eerst voorop stelt dat het bij de nu voorliggende toetsing of er een situatie bestaat dat niet voldoende baten beschikbaar zijn voor de voldoening van de faillissementskosten en de overige boedelschulden, gaat om “een zeer beperkte toetsing”, zonder dat nader uiteen te zetten [31] .
nietis ontzenuwd en er ook
nietbij voorbaat al sprake is van onaannemelijkheid van verhaal, komt er vervolgens een draai dat “ook” ter zitting niet is gebleken van voldoende concreet verhaalsperspectief (wat haaks lijkt te staan op de besproken passage uit rov. 3.9.5 dat het hof “niet bij voorbaat onaannemelijk (acht) dat er mogelijk bij [belanghebbende] nog iets te verhalen valt”) en dat vanwege de lege boedel en een patstelling tussen de curator en een aantal belangrijke schuldeisers niets anders rest dan opheffing wegens de toestand van de boedel. Waarbij bovendien in rov. 3.9.9 over de verhaalsperspectieven nog wordt opgemerkt dat daarvoor wel aanwijzingen zijn, maar dat die “verre van zeker” zijn.
wel –inmiddels
niet(meer) reëel acht (met nog een toegift daarover in rov. 3.9.9), of wordt een caesuur gelegd tussen een eerdere fase van het faillissement toen de boedel nog niet leeg was en de huidige situatie.
voldoende grondigheidte worden onderzocht door de curator, zo hebben we onder ogen gezien in de inleidende beschouwingen. Kennelijk heeft het hof dit (als hiervoor uiteengezet: ook door de curator
verrichte) oorzakenonderzoek (voorshands?) niet toereikend geoordeeld, getuige de overwegingen tot en met rov. 3.9.5. – als besproken in 3.2-3.4 had het hof dat volgens mij ook best anders kunnen beoordelen (t.w.: wel toereikend onderzoek met dito gemotiveerde afwijzing van aansprakelijkheidstournures, mede gelet op het minstgenomen ingewikkelde verhaalsperspectief), maar heeft het dat volgens mij niet voldoende eenduidig en kenbaar gedaan. Omdat er dan nu sprake is van een lege boedel en een patstelling (waarover verzoekers bij cassatierekest 3.18 terecht opmerken dat onduidelijk is wat dat precies inhoudt) en de verhaalsperspectieven toch minder rooskleurig lijken (of zelfs “verre van zeker” zijn) naar ’s hofs oordeel, is dat vorenoverwogene kennelijk daarom nu niet meer van belang? Dat spreekt niet meteen aan. Dat er sprake is van een lege boedel, is met het oog op een mogelijke bate in de vorm van een reële kans op verhaal biedende bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure en het bestaan van de Garantstellingsregeling geen sterke motivering. Dat [belanghebbende] en zijn eventuele activa waarop verhaal kan worden genomen zich in het (verre) buitenland bevinden is wel een bepaald complicerende factor, maar dat op zichzelf maakt niet dat (nader) aansprakelijkheids- en verhaalsonderzoek om die enkele reden achterwege zal moeten blijven, nu zoals we hebben gezien de Garantstellingsregeling ook de mogelijkheid van dergelijk onderzoek in het buitenland biedt, ook al worden aan toekenning van een dergelijke garantstelling wel stevige proportionaliteitsvoorwaarden gesteld.
Hoeksma q.q./Trade [37] , waarin Uw Raad in rov. 4.7.2 op het voetspoor van A-G Timmerman overwoog dat de rechter overtuigd moet zijn van de juistheid van de stellingen van de curator over de staat van de boedel en dat dat pas kan nadat met de nodige grondigheid onderzoek is gedaan door de curator naar de aanwezigheid van vermogen van de schuldenaar [38] en dat bij de behandeling van het verzet de uitkomst van dat onderzoek beschikbaar moet zijn. Verzoekers bepleiten (cassatierekest 3.11) dat zolang geen onderzoek is verricht naar de aanwezigheid van eventuele baten, het faillissement niet wegens de toestand van de boedel kan worden beëindigd “niet bij wege van opheffing ex art. 16 Fw Pro noch door verzet tegen de faillietverklaring.”
Hoeksma qq/Tradeis uitgemaakt dat wanneer een rechtspersoon op eigen aangifte failliet is verklaard de curator
pro seals belanghebbende in de zin van art. 10 lid 1 Fw Pro is te beschouwen en zodoende verzet kan doen tegen de faillietverklaring als hij constateert dat de boedel vrijwel geen baten bevat en op het verkrijgen daarvan ook geen reëel zicht bestaat (rov. 4.5). We zagen dat volgens rov. 4.7.2 de rechter zich in zo’n geval dient te overtuigen van de juistheid van de visie van de curator op de ontoereikende staat van de boedel, hetgeen volgens dit arrest impliceert dat de curator daar voldoende grondig onderzoek naar heeft gedaan. In een dergelijke verzetssituatie binnen 8 dagen komt allicht de vraag op of de curator wel voldoende grondig onderzoek heeft kunnen doen naar de toestand van de boedel, zodat niet verbaast dat het arrest daar de nadruk op legt. Maar zo’n geval kan volgens de curator niet worden vergeleken met een situatie in onze zaak, waarin het faillissement na ruim 6,5 jaar is opgeheven wegens de toestand van de boedel. In de 8 dagen verzetssituatie bestond voor crediteuren ook geen mogelijkheid te “sturen” via art. 69 Fw Pro, zoals wel (ook daadwerkelijk is gebeurd) in onze zaak. Daar is ruimte geweest voor ampel onderzoek mede “gestuurd” via art. 69 Fw Pro procedures, aldus de curator. Zodoende is volgens de curator door het hof terecht geoordeeld dat een art. 18 Fw Pro procedure als de onderhavige het hof geen mogelijkheid biedt om de curator te dwingen meer verhaalsonderzoek te verrichten.
a fortioriop te vatten: als in een verzetssituatie ex art. 10 Fw Pro al gevergd wordt dat vast moet staan dat de boedel geen enkel positief resultaat zal opleveren, dan geldt dat al helemaal na een periode van ruim 6,5 jaar faillissement en kan dit als steunargument gelden voor het betoog van verzoekers dat de curator eerst nog gedegen bestuurdersaanprakelijkheids- en verhaalsonderzoek moet doen. We hebben al gezien dat het hof in wezen op twee gedachten lijkt te hinken of sprake is van een voldoende perspectief biedende aansprakelijkheidszaak met dito verhaal, waardoor het arrest als geheel lijdt aan motiverings- en mogelijk rechtsgebreken. Voor de uitkomst van deze zaak is een beslissing over de mogelijkheid van de hier besproken parallel met verzet ex art. 10 Fw Pro denk ik niet nodig, maar ik zie die als gezegd in beginsel niet opgaan.
caseontbreekt hier uiteindelijk. Dan is er weliswaar sprake van een mogelijk minder gelukkig opgezet arrest, maar van een juiste en uiteindelijk wel begrijpelijke beslissing. Dat is in wezen de positie van de curator in cassatie, die bij verweerschrift in cassatie 4.3 stelt dat rov. 3.9.3-3.9.5
niet dragendzijn voor het gegeven hofoordeel tot bekrachtiging van de opheffing wegens gebrek aan baten en dat in deze passages slechts sprake zou zijn van een voorlopige conclusie [39] .