Conclusie
Overweging met betrekking tot het bewijs
van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [betrokkene 2] :
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor door de rechter-commissaris d.d. 12 juli 2017, inhoudende als verklaring van [betrokkene 2] :
[betrokkene 2]
feit 2kennelijk niet opgevat als een responsieplichtig uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, nu met betrekking tot het tenlastegelegde
feit 2de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten daarvoor tekortschieten. In de pleitnota is vrijspraak bepleit met een argumentatie die in het bijzonder betrekking heeft op de
onder 1tenlastegelegde verkrachting, die plaats zou hebben gehad tijdens het seksfeestje op 30 augustus 2014. Van dat feit is de verdachte vrijgesproken. Ook is de verdachte vrijgesproken van het meermalen slaan met een riem, dat door middel van een gedachtestreepje onder feit 2 is tenlastegelegd. Aldus is het hof niet van het door de verdediging ingenomen standpunt afgeweken. Met betrekking tot het tenlastegelegde feit 2 is door de verdediging (verder) niets naar voren gebracht dat twijfel zou kunnen oproepen omtrent de betrouwbaarheid van de verklaring van [betrokkene 2] . De enkele omstandigheid dat zij bij de politie heeft verklaard dat zij tegen haar zin seks had gehad met de verdachte en dat zij daar later niets meer over heeft verklaard, maakt nog niet dat het hof ter zake van feit 2 was gehouden tot een nadere motivering van zijn oordeel over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 2] .
Tweede keer
NJ2018/298, m.nt. Rozemond heeft de Hoge Raad geoordeeld dat niet is vereist dat het “steunbewijs betrekking dient te hebben op de tenlastegelegde gedragingen”. Rozemond analyseert in zijn noot onder dit arrest dat voldoende is dat “de verklaring van de aangeefster of aangever op concrete punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, waarbij die concrete punten ‘specifieke omstandigheden’ van de tenlastegelegde seksuele gedragingen moeten opleveren.” Het moet dan uiteraard wel gaan om een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Bovendien is er nog een belangrijk vereiste: tussen die enige getuigenverklaring en het overige gebezigde bewijsmateriaal moet een niet te ver verwijderd verband bestaan. [5] Wanneer daarvan sprake is laat zich niet in algemene zin verwoorden. De concrete feiten en omstandigheden van het geval zijn daarvoor bepalend.