Conclusie
“1. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod”en
“2. witwassen”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof een geldbedrag van € 4.224,65 verbeurd verklaard.
middelbehelst de klacht dat de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen.
“Nadere bewijsoverweging
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu niet vaststaat dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Naar het oordeel van het hof voldoet de verdachte blijkens de bewijsmiddelen aan de typologie “bij fysiek vervoer van grote bedragen in contanten: het fysiek vervoeren van grote bedragen in contanten brengt een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich”, zoals ontwikkeld door de Financial Action Task Force (FATF) en in de rechtspraak gangbaar.
Het daaraan te ontlenen vermoeden van witwassen acht het hof bevestigd doordat verdachte, zoals eveneens uit de bewijsmiddelen blijkt, zich met een groot bedrag in contanten in een horecagelegenheid bevond.
Het hof is van oordeel dat gelet op het vermoeden van witwassen en de daarbij in aanmerking genomen omstandigheden van verdachte een verklaring over de herkomst van dit geld mag worden verlangd.
De verdachte heeft dit ook gedaan, zowel bij de politie als ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep.
Het hof acht deze verklaringen niet aannemelijk nu de gegeven verklaringen niet consistent zijn aangezien er sprake is van verscheidene achtereenvolgende versies. Het hof is op voorgaande gronden van oordeel dat de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde berust op de gebezigde bewijsmiddelen.”