Conclusie
middelklaagt dat het in art. 14, derde lid, onder e, IVBPR en art. 6, derde lid, onder d, EVRM neergelegde ondervragingsrecht is geschonden en naleving van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften is verzuimd doordat het hof (I) het verzoek tot het als getuige horen van de verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] op onjuiste, althans ontoereikende gronden heeft afgewezen en (II) doordat het hof de bewezenverklaring heeft bevestigd terwijl deze in beslissende mate is gebaseerd op verklaringen van getuigen die door de verdediging niet zijn ondervraagd.
Verzoeken om het horen van getuigen
probeerdetussen de [betrokkene 1] aanhoudende agent en [betrokkene 1] te komen.
demonstrably reliable.
NJ2014/441 m.nt. Borgers, rov 2.8 en 2.76).
NJ2017/294 m.nt. Myjer, heeft de Grote Kamer van het EHRM overwogen:
Al-Khawaja and Taherytest), the Court reiterates that “sole” evidence is to be understood as the only evidence against the accused (…). “Decisive” evidence should be narrowly interpreted as indicating evidence of such significance or importance as is likely to be determinative of the outcome of the case. Where the untested evidence of a witness is supported by other corroborative evidence, the assessment of whether it is decisive will depend on the strength of the supporting evidence; the stronger the corroborative evidence, the less likely that the evidence of the absent witness will be treated as decisive (…).’
NJ2017/447 m.nt. Kooijmans in het licht van Al Khawaja & Tahery [1] alsmede Schatschaschwili het volgende overwogen:
decisive’ in Schatschaschwili (en eerder in Al Khawaja & Tahery) is uitgelegd: ‘
Decisive evidence should be narrowly interpreted as indicating evidence of such significance or importance as is likely to be determinative of the outcome of the case’. Voor de uitkomst van de onderhavige strafzaak is de bewezenverklaring van de eerste beide gedachtestreepjes niet van doorslaggevend belang. Ook als de verdachte van het vastpakken van de arm van [betrokkene 1] en de ten laste gelegde uitroep was vrijgesproken, zou nog steeds een veroordeling wegens wederspannigheid zijn gevolgd.
determinative of the outcome of the case’; een bewezenverklaring van wederspannigheid kon al worden gebaseerd op de voornoemde verklaring van de verdachte en het door [benadeelde] en [verbalisant 5] opgemaakte proces-verbaal. Daar komt bij dat de verklaringen van de andere verbalisanten slechts ten dele door de verdediging zijn betwist. Alleen onbestreden (steun)bewijs specifiek voor de eerste beide feitelijke gedragingen die in de tenlastelegging van wederspannigheid zijn opgenomen ontbreekt. Maar dat brengt in de omstandigheden van het geval geen schending van art. 6 EVRM Pro met zich mee.
demonstrably reliable’te beoordelen en om die reden het verweer verwerpt dat de door de – niet gehoorde – opsporingsambtenaren opgemaakte processen-verbaal niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Uit ’s hofs arrest zou niet volgen wat het hof daarmee bedoelt.
NJ2012/283 m.nt. Schalken en Alkema, par. 139, waar de Grote Kamer overwoog:
‘the third argument’. In het geheel van de overwegingen van Al-Khawaja & Tahery is zij gesitueerd tussen de overwegingen die zijn gewijd aan de ‘
objections to the sole or decisive rule’. Daarin bespreekt het EHRM vier argumenten die het Verenigd Koninkrijk in het voetspoor van ‘
the judgment of the Supreme Court in Horncastle and others’inbrengt tegen de ‘
sole or decisive rule’(ov. 129). Het derde argument is dan dat ‘
it is said that there has been no adequate discussion of the principle underlying the rule, which is predicated on the false assumption that all hearsay evidence which is critical to a case is either unreliable or, in the absence of cross-examination of the witness, incapable of proper assessment.’ De Wilde geeft aan dat de woordkeuze van het EHRM ‘lijkt te zijn gebaseerd op het Britse arrest Horncastle, waarin voorbeelden zijn gegeven van verklaringen die aantoonbaar betrouwbaar zijn. Onder meer wordt de
dying declarationgenoemd, de verklaring die een getuige heeft afgelegd in de wetenschap dat hij spoedig komt te overlijden’. [8] De formulering is dus geen Straatsburgse makelij. Dat is een reden om er niet te veel gewicht aan te hechten. In de geciteerde overwegingen van Uw Raad keert zij ook niet expliciet terug.
cannot be said to belong to the category of evidence that can be described as ‘demonstrably reliable’ such as a dying declaration or other examples given by the Court of Appeal and Supreme Court in their Horncastle and others judgments’(par. 160). [9] De Wilde wees er in 2015 op dat het EHRM nog in geen enkele beslissing had aangenomen dat een getuigenverklaring daadwerkelijk ‘
demonstrably reliable’ was. In EHRM 15 december 2015, Schatschaschwili v. Duitsland, appl. nr. 9154/10, keert de gedachte dat een ongeteste getuigenverklaring als ‘
sole or decisive’bewijs bruikbaar is als zij ‘
demonstrably reliable’ is, niet terug.
demonstrably reliable’beoordeelt, op zichzelf geen toereikende onderbouwing oplevert van de beslissing om de processen-verbaal die door de niet gehoorde opsporingsambtenaren zijn opgemaakt voor het bewijs te bezigen. Ik merk daarbij nog op dat in het geval, met het hof, in artikel 344, tweede lid, Sv een toereikend argument zou worden gezien om verklaringen van verbalisanten in processen-verbaal als
demonstrably reliableaan te merken, het ondervragingsrecht bij verbalisanten verregaand zou worden uitgehold. De overweging in Al-Khawaja en Tahery, waarin enkel op de
dying declarationwordt gewezen, en andere rechtspraak van het EHRM waarin aan naleving van het ondervragingsrecht jegens opsporingsambtenaren veel belang wordt gehecht, wijzen niet in die richting. [10]