3.2Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2017 blijkt dat de raadsman het woord tot verdediging heeft gevoerd overeenkomstig de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota. Die pleitnota houdt onder meer het volgende in:
“Feit 1
Preliminair verweer betreffende ontvankelijkheid OM
Verduistering van een geldbedrag van 42.000 euro
9. Client heeft in overleg met zijn vader in de periode van 14 mei 2010 tot 31 december 2010 geld van de bankrekening van zijn vader opgenomen. Dit geld is op de bankrekening van cliënt blijven staan.
10. Nadat cliënt d.d. 9 mei 2011 een brief had ontvangen welke door zijn broer en schoonzus namens zijn vader was opgesteld, waarin aan hem werd verzocht om 42.000 euro terug te storten, heeft cliënt dit geld niet (onverwijld) teruggestort.
11. Uit de door de rechtbank opgemaakte aanvulling verkort vonnis blijkt dat de in het vonnis gegeven bewezenverklaring steunt op:
- Het proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 2] ;
- Het proces-verbaal van klacht d.d. 2 augustus 2011, houdende als verklaring van [benadeelde 1] ;
- Het proces-verbaal van verhoor van benadeelde, d.d. 25 juli 2011, houdende als verklaring van [benadeelde 1] ;
- De verklaring van cliënt afgelegd ter terechtzitting van de meervoudige kamer in Lelystad op 26 april 2016.
12. De verdediging is van mening dat het wettig bewijs mogelijk in voldoende mate aanwezig is, echter uw hof uit de inhoud van die wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging kan bekomen dat cliënt op enig moment, althans ten tijde van de ten laste gelegde periode, opzet heeft gehad op de wederrechtelijke toe-eigening van de gelden van [benadeelde 1] .
13. In het navolgende zal ik die feiten en omstandigheden benoemen op grond waarvan de verdediging meent dat cliënt van dit feit dient te worden vrijgesproken bij gebrek aan voldoende overtuigend bewijs.
Tegenstrijdige getuigenverklaringen / onvoldoende overtuigend bewijs
14. Hoewel er verklaringen zijn dat cliënt de gelden heeft verduisterd, ontbreekt hiertoe voldoende overtuigend bewijs. Tegenover deze voor cliënt belastende verklaringen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , staat de van aanvang af gedetailleerde ontkennende verklaring van cliënt wat betreft zijn vermeende opzet op de wederrechtelijke toe-eigening van de gelden van zijn vader.
15. De aangifte vindt op onderdelen weliswaar bevestiging in de verklaring van cliënt zelf, maar dit is wat de verdediging betreft niet doorslaggevend voor het bewijs van het tenlastegelegde. Uit het dossier blijkt namelijk eveneens van ondersteunend bewijs voor de verklaring van cliënt dat hij met zijn vader de afspraak had gemaakt om de gelden slechts dan aan hem te retourneren wanneer deze cliënt hier zelf mondeling toe verzocht.
16. Ten eerste wijs ik uw hof in dat verband op de verklaring(en) hierover van de voormalige partner van cliënt, [betrokkene 4] . Op 25 oktober 2011 bevestigde zij de verklaring van cliënt, te weten dat er in haar bijzijn de gefingeerde afspraak is gemaakt tussen cliënt en zijn vader. Op 6 april 2016 heeft zij voornoemde verklaring bevestigd ten overstaan van de rechter-commissaris.
17. Ten tweede wijs ik uw hof op de aanvullende schriftelijke verklaring van [benadeelde 1] d.d. 3 maart 2012. Hierin verklaart [benadeelde 1] onder meer: “Ik weet dat er een ruzie tussen [betrokkene 1] en [verdachte] ontstaan was en ben toen verder met [verdachte] in het pact gegaan. [verdachte] heeft toen verder het beheer overgenomen met instemming van mij.” En: “Ik ben zelf degene geweest die tegen [verdachte] heeft gezegd: [verdachte] jij beheert het en als iemand vraagt waar alles is, dan zeg je maar dat ik het naar het KWF heb overgemaakt. Ik wist als geen ander dat een schenking nooit plaats zou gaan vinden, zeker niet omdat ik wist wie ik voor mij had.”
18. Ten overstaan van de rechter-commissaris verklaarde [benadeelde 1] d.d. 16 oktober 2012, wanneer hij wordt geconfronteerd met de inhoud van bovengenoemde brief: “Ik heb de brief net helemaal doorgelezen. Het klopt wat er in de brief staat. [verdachte] is een kind van mijn opvoeding. Ik herken de brief. De brief is opgesteld met mijn medeweten door mijn zoon [betrokkene 2] . Die brief heb ik ondertekend. Ik heb hem eerst gelezen voordat ik hem tekende. Ik zet niet zomaar een handtekening.”
19. In hetzelfde verhoor van getuige [benadeelde 1] verklaart hij vervolgens nooit een dergelijke afspraak te hebben gemaakt met cliënt. “Ik herinner mij wel dat ik eens tegen hem heb gezegd dat als er geld over zou blijven dat zou moeten gaan naar het KWF.” Verder zou hierover nooit gesproken zijn.
20. Deze laatste opmerking van [benadeelde 1] wordt echter weerlegd door de door [betrokkene 1] d.d. 18 mei 2011 opgestelde schriftelijke verklaring. Hierin staat vermeld dat [benadeelde 1] in februari 2011 [betrokkene 1] heeft opgebeld en aan hem heeft medegedeeld dat het geld maar overgemaakt diende te worden naar het KWF.
21. Kort en goed. Door [benadeelde 1] is een brief ondertekend waarin hij de verklaring van cliënt volledig ondersteund. Ten overstaan van de R-C verklaart [benadeelde 1] vervolgens wisselend en innerlijk tegenstrijdig over het bestaan van een gefingeerde afspraak en/of een pact met cliënt. Uit deze verklaring blijkt geheel niet waarom [benadeelde 1] eerst verklaart over het bestaan van een gefingeerde afspraak en hier even later op terug komt, dan wel waarom hij eerder (schriftelijk) verklaarde over het bestaan van dit pact en deze verklaring enkele maanden later intrekt.
22. Gelet op het voorgaande kunnen de verschillende belastende, alsmede ontlastende verklaringen van [benadeelde 1] , afgelegd ten overstaan van verbalisanten en/of de rechter-commissaris dan ook niet zonder meer tot het bewijs gebezigd worden dat cliënt de gelden van zijn vader opzettelijk wederrechtelijk heeft toegeëigend.
23. De verklaringen van [benadeelde 1] , dat er geen sprake zou zijn van een gefingeerde afspraak en pact met cliënt, kunnen dan ook niet voor het bewijs contra cliënt gebezigd worden.
24. In dat verband en gelet op de beoordeling van uw hof van de bewijswaarde van de verklaringen van cliënt, acht de verdediging het tevens van belang dat de gelden van [benadeelde 1] niet door cliënt zijn uitgegeven. De gelden stonden weliswaar op een bankrekening waarover enkel cliënt kon beschikken, al het geld van aangever is volledig aan hem geretourneerd.
25. De verdediging realiseert zich dat voor een bewezenverklaring te zake verduistering niet is vereist dat de gelden worden uitgegeven, maar gelet op het feit dat dit niet is gebeurd, dient dit naar de mening van de verdediging te worden beoordeeld als een bevestiging van de verklaring van cliënt dat hij enkel als beheerder van de gelden heeft opgetreden, teneinde te voorkomen dat derden zijn vader gelden afhandig zouden maken.
26. Volledigheidshalve wijs ik uw hof er nog op dat de vrees van cliënt dat het geld van zijn vader door derden zou worden uitgegeven, hetgeen voor hen beide de moverende reden was om het pact te sluiten, niet onterecht was. Uit (in eerste aanleg overgelegde) bankafschriften blijkt dat nadat [benadeelde 1] was verhuisd naar Vriezenveen, tussen 2011 en zijn overlijden in 2013 bijna 33.000 euro contant is opgenomen van de bankrekening.
27. Uit de verklaring van Ten Hoope bij de R-C blijkt dat de gelden van [benadeelde 1] onder meer zijn aangewend om een verbouwing te financieren van haar woning. Desgevraagd verklaarde [benadeelde 1] tegenover de R-C hiervan niets te weten en in de veronderstelling te zijn dat het bedrag van 42.000 euro nog bijna volledig op zijn rekening staat.
28. Resumerend. Uit het dossier blijkt van ondersteunend bewijs voor de verklaring van cliënt dat hij met zijn vader de afspraak had gemaakt om de gelden slechts dan aan hem ter beschikking te stellen wanneer hij cliënt hier zelf mondeling toe verzocht. [betrokkene 4] heeft de verklaring van cliënt op dit onderdeel bevestigd. Ook blijkt uit de bewijsmiddelen dat [benadeelde 1] met zijn zoon [betrokkene 1] heeft gesproken over een schenking van zijn geld aan het KWF.
29. Daarnaast bevat het dossier innerlijk tegenstijdige en wisselende verklaringen van [benadeelde 1] . De overige personen welke als getuige zijn gehoord, zijn niet aanwezig geweest bij het afsluiten van het pact tussen cliënt en [benadeelde 1] . Voor zover deze getuigen verklaren dat er geen sprake is geweest van een pact tussen cliënt en zijn vader, heeft te gelden dat dit de-auditu verklaringen betreffen.
30. Gelet op de wisselende verklaringen van [benadeelde 1] op dit voor een bewezenverklaring essentiële onderdeel, stelt de verdediging dat ook deze verklaringen onvoldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs contra cliënt te bezigen. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien, stelt de verdediging zich op het standpunt dat door de inhoud van wettige bewijsmiddelen uw hof niet de overtuiging kan bekomen dat cliënt zich de gelden van zijn vader op enig moment wederrechtelijk heeft toegeëigend. Client dient van dit feit te worden vrijgesproken.”