Conclusie
eerstemiddel keert zich tegen de bewezenverklaring van de in zaak A onder 1 bewezen verklaarde poging tot zware mishandeling. Het middel klaagt dat de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet redengevend zijn voor de bewezenverklaring en/of dat het hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven voor de afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat opzet op zwaar lichamelijk letsel niet kan worden bewezen verklaard.
1. De bekennende verklaring die verdachte ter terechtzitting van 3 maart 2017 heeft afgelegd, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
mededeling van verbalisanten:
4.1.2. Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde’). De steller van het middel betoogt dat het hof die ‘bewijsoverweging’ van de rechtbank heeft overgenomen ‘ten bewijze van de poging tot toebrengen zwaar lichamelijk letsel’. In dit verband wordt gesteld dat ‘(u)it de motivering van de rechtbank volgt dat zij, en in navolging van haar ook het gerechtshof, de overwegingen met betrekking tot de vraag of rekwirant (voorwaardelijk) opzet op de dood heeft gehad mede relevant acht voor het bewijs van voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel’. De steller van het middel wijst er hierbij op dat de rechtbank heeft overwogen dat niets bekend is over de kracht waarmee de verdachte op [slachtoffer 1] heeft ingestoken, niet bekend is wat voor voorwerp hij daarbij heeft gebruikt, het bij [slachtoffer 1] aangetroffen letsel van relatief geringe ernst is, niets bekend is omtrent de kracht waarmee de verdachte op het hoofd heeft geslagen en dat niet bekend is wat het gewicht is van de daarbij gebruikte tang.
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde’ in het vonnis slechts strekt ter motivering van de vrijspraak van die poging tot doodslag. [3] Het hof heeft de desbetreffende overweging niet relevant (of redengevend, vgl. art. 359 lid 3 Sv Pro) geacht voor de bewezenverklaring van de poging tot zware mishandeling. In zoverre gaat het middel uit van een onjuiste lezing van het bestreden arrest.
tweedemiddel keert zich tegen de bewezenverklaring van de in zaak A onder 5 bewezen verklaarde diefstal met geweld. Het middel klaagt dat de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet redengevend zijn voor de bewezenverklaring. Blijkens de toelichting ziet het middel op het bewijs van het daderschap van de verdachte.
1. Een proces-verbaal van aangifte (…) van 29 januari 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] (…), incl. bijlage goederen.
4.1.2. Het standpunt van de verdediging
derdemiddel klaagt dat de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet redengevend zijn voor de in zaak B bewezen verklaarde diefstal met geweld, ook niet in het verband van hetgeen daartoe nader is overwogen. Blijkens de toelichting heeft ook dit middel het oog op het bewijs van het daderschap van de verdachte.
1. Een proces-verbaal van aangifte (…) van 28 mei 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7] , (…).
4.2.2. Het standpunt van de verdediging
(BFK: keer)gebruikt is nadat de beroving heeft plaatsgevonden.
20.28.05.2015 camera 9 18.26 uur, Gein/Wisseloord
21.28.05.2015 camera 13 13.56 uur, Waterlooplein
vierdemiddel klaagt in de eerste plaats dat de beslissing van het hof tot oplegging van TBS met dwangverpleging onbegrijpelijk is en/of onvoldoende gemotiveerd. Voorts klaagt het middel dat het hof het voorwaardelijke verzoek tot het gelasten van aanvullend onderzoek heeft afgewezen op gronden die de afwijzing niet kunnen dragen en/of dat die afwijzing onvoldoende met redenen is omkleed.
‘8. Motivering van de straf en maatregel
Opmerking ten aanzien van punt 49: Ik denk persoonlijk dat een PIJ-maatregel beter zal werken dan TBS, maar goed dat is een opmerking mijnerzijds.
een deel vande tenlastelegging opgemaakte – rapport van psychologe Van Vlimmeren van 19 mei 2016, inhoudende het advies tot oplegging van een ‘zo lang mogelijk voorwaardelijk strafdeel’ met bijzondere voorwaarden. [13] Ik wijs er voorts op dat Gunnewijk ter terechtzitting heeft verklaard: ‘Als het ten laste gelegde bewezen wordt verklaard, zijn er twee smaken: PIJ of TBS. Ik adviseer geen TBS met voorwaarden op te leggen, want betrokkene heeft bewezen dat hij dat niet kan. Er is geen sprake van motivatie om te veranderen.’ [14] Mede gelet op het feit dat de raadsvrouw blijkens de pleitnota in hoger beroep heeft gesteld dat oplegging van een PIJ-maatregel niet aan de orde is vanwege de twijfel die er bestaat over de mogelijkheden van behandeling binnen het PIJ-kader, is ‘s hofs keuze voor oplegging van TBS met dwangverpleging niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.