Conclusie
1.Procesverloop
WHO Framework Convention on Tobacco Control(het Kaderverdrag van de
World Health Organizationinzake tabaksontmoediging, hierna: WHO-Kaderverdrag). [2]
Rookverbodarrestvan de Hoge Raad van 10 oktober 2014 [3] , kort samengevat, overwogen dat de vraag naar de rechtstreekse werking van art. 8 lid 2 WHO Pro-Kaderverdrag dient te worden beantwoord door uitleg van de desbetreffende bepaling aan de hand van de maatstaven van art. 31-33 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht (hierna: Verdrag van Wenen). [4] Indien noch uit de wet noch uit de totstandkomingsgeschiedenis volgt dat geen rechtstreekse werking is beoogd, is de inhoud van de bepaling beslissend, waarbij het erom gaat of de verdragsbepaling onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is om in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief recht te worden toegepast. Indien het op grond van de verdragsbepaling in de nationale rechtsorde te bewerkstelligen resultaat onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is omschreven, belet de enkele omstandigheid dat de nationale wetgever keuze- of beleidsvrijheid toekomt wat betreft de te nemen maatregelen ter verwezenlijking van dat resultaat, niet dat de bepaling rechtstreekse werking heeft (rov. 2.2). Art. 8 lid 2 WHO Pro-Kaderverdrag verplicht tot het tot stand brengen van het resultaat dat een ieder die een horeca-instelling betreedt of wil betreden gevrijwaard moet zijn van iedere mate van blootstelling aan tabaksrook. Daarmee is het te bereiken resultaat onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig omschreven om als objectief recht in de Nederlandse rechtsorde te kunnen functioneren en is niet van belang dat art. 8 lid 2 WHO Pro-Kaderverdrag niet de middelen voorschrijft waarmee dit resultaat moet worden bewerkstelligd (rov. 2.3-2.4). Aan dat oordeel doet niet af dat de in deze zaak ter discussie staande uitzondering voor rookruimtes niet een reeds eerder bereikt beschermingsniveau terugdraait, maar al was bepaald sinds het rookverbod op horeca-inrichtingen van kracht is geworden. Daarbij is van belang dat twee situaties onder ogen kunnen worden gezien die kunnen meebrengen dat het te bereiken resultaat niet meteen tot stand behoeft te worden gebracht: (i) de Staat moet een redelijke termijn worden gelaten om tot wetgeving of andere maatregelen te komen, en (ii) een uitzondering op een verdragsvoorschrift kan gerechtvaardigd zijn als overgangsmaatregel (rov. 2.5). Niet blijkt dat het toelaten van rookruimtes als overgangsmaatregel bedoeld is. De verwachting van de Staat dat het integrale tabaksontmoedigingsbeleid er uiteindelijk toe zal leiden dat rookruimtes in de horeca overbodig worden, kan echter in redelijkheid niet worden beschouwd als een overgangsmaatregel voor het tot stand brengen van het door art. 8 lid 2 WHO Pro-Kaderverdrag voorgeschreven resultaat (rov. 2.7-2.8). Het hof concludeert dat art. 8 lid 2 WHO Pro-Kaderverdrag rechtstreekse werking heeft en dat onderzocht moet worden of de vorderingen van CAN toewijsbaar zijn en, meer in het bijzonder, of haar uitleg van art. 8 lid 2 WHO Pro-Kaderverdrag juist is (rov. 2.9).
Guidelines for implementationovereenstemming hebben bereikt over de wijze waarop art. 8 lid 2 WHO Pro-Kaderverdrag moet worden uitgelegd en uitgevoerd en dat bij de uitleg van art. 8 lid 2 WHO Pro-Kaderverdrag mede rekening met de Guidelines moet worden gehouden, hoewel deze juridisch niet bindend of doorslaggevend zijn (rov. 3.4-3.7). Uit de Guidelines volgt dat afzonderlijke rookruimtes in ‘indoor public places’ geen afdoende bescherming bieden tegen blootstelling aan tabaksrook. Ook op deze grond moet worden geoordeeld dat de uitzondering voor rookruimtes in horeca-inrichtingen in strijd is met art. 8 lid 2 WHO Pro-Kaderverdrag (rov. 3.8-3.9).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1valt uiteen in negen subonderdelen en is gericht tegen rov. 2.1-2.9 van het bestreden arrest. Het onderdeel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat aan art. 8 lid 2 WHO Pro-Kaderverdrag rechtstreekse werking toekomt.
Guidelines for implementation of Article 8(hierna: Guidelines). [13] De Guidelines bevatten, voor zover relevant, de volgende passages:
Principle 1
obligation to provide universal protectionby ensuring that all indoor public places, all indoor workplaces, all public transport and possibly other (outdoor or quasi-outdoor) public places are free from exposure to second-hand tobacco smoke. No exemptions are justified on the basis of health or law arguments. If exemptions must be considered on the basis of other arguments, these should be minimal. In addition, if a Party is unable to achieve universal coverage immediately, Article 8 creates a continuing obligation to move as quickly as possible to remove any exemptions and make the protection universal. Each Party should strive to provide universal protection within five years of the WHO Framework Convention’s entry into force for that Party.
Rookverbodarrest). In die zaak werd de rechtmatigheid bestreden van een algemene maatregel van bestuur waarin alsnog – nadat voor de horeca reeds een algemeen rookverbod was ingevoerd – voor kleine cafés een uitzondering is gemaakt op het rookverbod in voor het publiek toegankelijke ruimten als bedoeld in de Tabaks- en rookwarenwet. De Hoge Raad heeft in het
Rookverbodarresteen nieuwe maatstaf geformuleerd voor de rechtstreekse werking van verdragsbepalingen in de Nederlandse rechtsorde:
Spoorwegstakingsarrest [14] , dat werd beschouwd als het standaardarrest met betrekking tot de rechtstreekse werking van verdragsbepalingen. Daarin werd onderscheid gemaakt tussen verdragsbepalingen die de Nederlandse wetgever verplicht tot het treffen van een nationale regeling met een bepaalde inhoud of strekking en verdragsbepalingen die van dien aard zijn dat zij in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief recht kunnen functioneren. Verdragsbepalingen die een verplichting tot regelgeving bevatten, hadden derhalve per definitie geen rechtstreekse werking. [15] Blijkens de toetsingsmaatstaf in het
Rookverbodarrestis dit uitgangspunt thans verlaten. Ook een verdragsbepaling die de wetgever verplicht tot de vaststelling van een nationale regeling en de wetgever daarbij wat betreft de te nemen maatregelen keuze- of beleidsvrijheid laat, kan rechtstreekse werking hebben indien het op grond van de verdragsbepaling in de nationale rechtsorde te bewerkstelligen resultaat onvoorwaardelijk is en voldoende nauwkeurig omschreven. [16] Nieuw is dat de Hoge Raad heeft overwogen dat de rechtstreekse werking van een verdragsbepaling afhangt van de vraag of ‘de bepaling in de context waarin zij wordt ingeroepen, als objectief recht kan functioneren’. De Hoge Raad lijkt daarmee een contextuele (of relatieve) benadering van rechtstreekse werking van verdragsbepalingen te aanvaarden. [17] Gevolg daarvan is dat een verdragsbepaling, afhankelijk van de context waarin deze wordt ingeroepen, in het ene geval wél en in het ander geval geen rechtstreekse werking heeft en voorts dat de beoordeling van de rechtstreekse werking van een verdragsbepaling en de toetsing aan die bepaling meer in elkaar zullen overlopen. [18]
Rookverbodarrestwerd gevormd door de vraag of de in de algemene maatregel van bestuur (alsnog) gemaakte uitzondering op het in de horeca geldende rookverbod voor kleine cafés in strijd is met art. 8 lid 2 WHO Pro-Kaderverdrag. In het kader van deze beoordeling heeft de Hoge Raad aangenomen dat de verdragsbepaling rechtstreekse werking toekomt en dat de genoemde uitzondering onverbindend is. Daartoe heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:
iedere matevan blootstelling aan tabaksrook. Verder is in cassatie onbestreden het oordeel van het hof in rov. 2.8 dat het toelaten van rookruimtes geen overgangsmaatregel is, maar is bedoeld als een uitzondering op het rookverbod die wordt gehandhaafd totdat rookruimtes in de horeca als gevolg van het tabaksontmoedigingsbeleid overbodig worden.
in de contextwaarin zij wordt ingeroepen als objectief recht in de Nederlandse rechtsorde te kunnen functioneren. Volgens het subonderdeel is dit relevant, omdat het in deze zaak niet gaat om een geval waarin de Staat verdergaande regelgeving die beoogt blootstelling aan tabaksrook tegen te gaan heeft teruggedraaid, maar vanaf het invoeren van maatregelen om dergelijke blootstelling tegen te gaan rookruimtes in horeca-instellingen heeft toegestaan. Bovendien heeft de Staat in de context van het onderhavige geval de vrijheid om de aard en het tijdstip van invoeren van de maatregelen te bepalen waarmee het einddoel van art. 8 lid 2 WHO Pro-Kaderverdrag kan worden bereikt, aldus het subonderdeel.
Rookverbodarrestvan de Hoge Raad. Het hof heeft niet de rechtsoverweging geciteerd waarin is overwogen dat de rechtstreekse werking van een verdragsbepaling afhangt van de vraag of de bepaling in de context waarin zij wordt ingeroepen als objectief recht kan functioneren. [21] Daarmee is echter niet gezegd dat het hof heeft miskend dat de context waarin de bepaling wordt ingeroepen bepalend is voor het antwoord op de vraag of art. 8 lid 2 WHO Pro-Kaderverdrag rechtstreekse werking heeft. De door de Hoge Raad in het
Rookverbodarrestgehanteerde contextuele benadering is erop gericht dat de rechter onderzoekt of de desbetreffende verdragsbepaling, ondanks de daarin aan de nationale wetgever gegeven keuze- en beleidsvrijheid, een onvoorwaardelijke en voldoende nauwkeurig omschreven norm bevat waaraan de rechter in een concrete casus kan toetsen. Deze norm stelt grenzen aan de beleidsvrijheid van de Staat. [22] Aan de vaststelling in rov. 2.4 van het bestreden arrest dat art. 8 lid 2 WHO Pro-Kaderverdrag verplicht tot het tot stand brengen van het resultaat dat een ieder die een horeca-instelling betreedt of wil betreden gevrijwaard moet zijn van iedere mate van blootstelling aan tabaksrook, ligt het oordeel ten grondslag dat de beleidsvrijheid van de Staat in zoverre is begrensd en dat aan de hand van deze norm de rechtmatigheid van de in deze concrete zaak voorliggende maatregel (de bij amvb gemaakte uitzondering op het rookverbod voor rookruimtes) kan worden beoordeeld, welke beoordeling het hof (nader) heeft verricht in rov. 3.1-3.3. Daarmee heeft het hof de vraag of aan art. 8 lid 2 WHO Pro-Kaderverdrag rechtstreekse werking toekomt wel degelijk beantwoord aan de hand van de context waarin de verdragsbepaling is ingeroepen. Ik meen dan ook dat subonderdeel 1.8 faalt.
Rookverbodarrestniet (uitsluitend) bepalend was dat het ging om het gedeeltelijk terugdraaien van een al jaren geldende maatregel (het algemeen rookverbod voor horeca-instellingen) voor kleine cafés. Zie ik het goed, dan heeft de Hoge Raad in rov. 3.6.1-3.6.2 van het
Rookverbodarresteerst en vooral bezien of het door art. 8 lid 2 WHO Pro-Kaderverdrag voorgeschreven te bewerkstelligen resultaat onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is omschreven om te kunnen dienen als norm voor de beoordeling of de in de algemene maatregel van bestuur gemaakte uitzondering op het rookverbod voor de kleine cafés rechtmatig is. De Hoge Raad is van oordeel dat dit het geval is: art. 8 lid 2 WHO Pro-Kaderverdrag bevat de verplichting tot een effectieve bescherming van (potentiële) bezoekers van (kleine) cafés tegen blootstelling aan tabaksrook. De uitzondering op het rookverbod voor kleine cafés en de wijze waarop deze is vormgegeven (een verplichting om bezoekers erop te wijzen dat roken is toegestaan) is daarmee – evident – niet verenigbaar. [24] De omstandigheid dat het een maatregel betrof die reeds was ingevoerd en gedeeltelijk is teruggedraaid ten faveure van beheerders van kleine cafés was naar mijn mening vooral van belang in het licht van de vraag of de (onvoorwaardelijke en voldoende nauwkeurig omschreven) resultaatsverplichting reeds moest zijn geïmplementeerd. [25] De Hoge Raad heeft deze vraag in rov. 3.6.3 bevestigend beantwoord. Bepalend was dat in 2008 reeds een verplichting tot het instellen van een rookverbod in kleine cafés was ingevoerd. Daardoor deed zich niet de vraag voor of de Staat meer tijd moest worden gegund om wet- en regelgeving vast te stellen noch de vraag of de uitzondering voor kleine cafés als overgangsmaatregel gerechtvaardigd zou zijn.
Rookverbodarrestis immers bepaald dat een verdragsbepaling waarin het in de nationale rechtsorde te bewerkstelligen resultaat onvoorwaardelijk is en voldoende nauwkeurig omschreven, ondanks de keuze- of beleidsvrijheid van de Staat ten aanzien van de te nemen maatregelen ter verwezenlijking van dat resultaat, rechtstreekse werking kan hebben. Het subonderdeel faalt dus.
Rookverbodarrestblijkt dat het ontbreken van een door het WHO-Kaderverdrag voorgeschreven implementatietermijn niet aan toekenning van rechtstreekse werking in de weg staat en bovendien niet meebrengt dat de Staat onbegrensd de tijd heeft om art. 8 lid 2 WHO Pro-Kaderverdrag na te komen. [26] Uit rov. 3.6.3 van het
Rookverbodarrestvolgt immers dat de rechter kan toetsen of in de omstandigheden van het geval de redelijke tijd die de Staat heeft voor het tot stand brengen van de benodigde wet- en regelgeving al dan niet is verstreken en of een bepaalde maatregel als overgangsmaatregel gerechtvaardigd is. Dit toetsingskader heeft het hof blijkens rov. 2.5 van het bestreden arrest tot uitgangspunt genomen voor zijn nadere beoordeling in rov. 2.6-2.8.