Conclusie
middelbevat de klacht dat het oordeel van de rechtbank dat de officier van justitie in zijn op de voet van art. 103 Sv Pro ingediende vordering tot het verkrijgen van toestemming om conservatoir beslag te leggen concrete voorwerpen moet noemen waarop het voorgenomen beslag betrekking heeft, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
5..Procesverloop
94aSv (registratienummer PL2100-2018007570-13) met betrekking tot een personenauto Renault Megane met Pools [kenteken] toebehorende aan voornoemde verdachte, opgemaakt door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie eenheid Oost-Brabant, met ‘Datum registratie KVI’
25 januari 2018;
De officier van justitie voert aan:
Sommige rechter-commissarissen verlangen dat in de vordering tot machtiging ex artikel 103 Sv Pro een specifieke opgave wordt gedaan van de voorwerpen die in het conservatoir beslag genomen gaan worden. Deze eis is niet op de wet gebaseerd. Dat in het civiele recht in een enkele omstandigheid geregeld is dat het beslagobject in het verlofrekest moet zijn omschreven is voor het strafvorderlijk conservatoir beslag niet van belang. De bepalingen met betrekking tot het verlofrekest zijn immers niet van overeenkomstige toepassing verklaard’. Dit betekent dat de verlofrekestprocedure zoals opgenomen in de artikelen 700 tot en met 710a Rv niet van toepassing zijn op strafvorderlijk conservatoir beslag. In dit kader wil ik dan ook verwijzen naar de overgelegde uitdraai uit het ‘Beslagrekest’. Het is noodzakelijk dat de aard van het beslag wordt omschreven in een beslagrekest. De aard van het beslag kan bijvoorbeeld verhaalsbeslag zijn. In Burgerlijke rechtsvordering wordt aangegeven dat vereist is dat het beslag wordt omschreven. Volgens de Groene Serie is het doel hiervan dat de voorzieningenrechter kan toetsen of het te leggen beslag aan de eisen van de proportionaliteit en subsidiariteit voldoet. De rechter-commissaris heeft het overleggen van een lijst met voorwerpen en het toetsen van het beslag aan de eisen van de proportionaliteit en subsidiariteit overgenomen uit artikel 700 Rv Pro en stelt hiermee de civiele procedure gelijk aan het leggen van strafvorderlijk conservatoir beslag. Echter, gelet op artikel 94c Sv ben ik van mening dat de rekestprocedure niet van overeenkomstige toepassing in het strafrecht is verklaard.
Het oordeel van de rechter-commissaris
6..Wettelijk kader
7.Civiele kader
best practicesopgenomen van rechtbanken over hoe beslagrekesten worden beoordeeld. Uit de meest recente versie blijkt dat in het beslagrekest moet worden aangegeven waarom is gekozen voor beslag op de in het beslagrekest genoemde goederen en waarom niet een minder bezwarend beslagobject mogelijk is. [16] Hieruit kan worden afgeleid dat in de civiele praktijk wordt verlangd dat aangegeven wordt waarop het beslag wordt gelegd. De wet schrijft dit echter niet in alle gevallen uitdrukkelijk voor. Ik merk daarbij op dat de beslagsyllabus, naar kan worden aangenomen, geen recht in de zin van art. 79 RO Pro inhoudt en in zoverre de rechter niet gebonden is aan de daarin neergelegde richtlijnen. [17]
8..Jurisprudentie
NJ2006/589 m.nt. Mevis. [21] Daarin stond centraal of het op de voet van art. 94c sub b Sv in het proces-verbaal van inbeslagneming of het beslagexploot genoemde maximumbedrag waarvoor het recht tot verhaal zal worden uitgeoefend, eraan in de weg staat voor de officier van justitie om op een hoger bedrag conservatoir beslag te leggen. Volgens de Hoge Raad is dat niet het geval. Het belang van het vermelden van een maximumbedrag is volgens de Hoge Raad gelegen in het kunnen aanbieden van een zekerheidstelling als bedoeld in art. 118b als voorgesteld, alsmede in de kenbaarheid voor derden die in de beslagen voorwerpen mogelijk ook verhaalsobjecten voor hun vorderingen zien. Het maximumbedrag houdt dan ook het bedrag in waarvoor de beslaglegger een vordering op de beslagdebiteur pretendeert en verhaal beoogt te zoeken. Het betreft niet het maximale bedrag waarvoor het beslag mag worden gelegd. Daarbij merkt de Hoge Raad op dat, hoewel wenselijk, niet voorgeschreven is dat de op de voet van art. 103 Sv Pro verstrekte machtiging van de rechter-commissaris een maximumbedrag vermeldt zodat aan een dergelijke vermelding in de machtiging geen zelfstandige betekenis toekomt. Ik leid hieruit af dat het evenmin essentieel is dat de officier van justitie in zijn vordering een maximumbedrag vermeldt. In ieder geval bij één kabinet RC is dit ook zo met het Openbaar Ministerie afgesproken, hoewel ook daar, en bij andere kabinetten, de vermelding van een maximumbedrag in de vordering eigenlijk nooit achterwege blijft.
NJ2002/326 vermelding. In die zaak was een auto in beslag genomen, terwijl op dat moment nog geen schriftelijke machtiging door de rechter-commissaris was verleend. In zijn arrest overweegt de Hoge Raad dat de rechter-commissaris bij de toetsing van de vordering de rechtmatigheid en de opportuniteit van het door de officier van justitie beoogde beslag dient te beoordelen. Het vereiste dat de machtiging schriftelijk wordt verleend, strekt ertoe zeker te stellen dat die rechterlijke toetsing voorafgaand aan het beslag heeft plaatsgevonden. Om die reden kan niet worden aanvaard dat een zodanige machtiging eerst in een later stadium op schrift wordt gesteld, tenzij de betrokkene kort gezegd niet in zijn belangen is geschaad. De Hoge Raad leest in de overwegingen van de rechtbank dat zij er kennelijk van uit is gegaan dat een dergelijk geval zich voordoet en houdt dat oordeel in stand. Zoals gezegd, biedt art. 103 lid 3 Sv Pro tegenwoordig de mogelijkheid om in bepaalde gevallen een mondelinge machtiging te geven.