ECLI:NL:PHR:2019:475

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 april 2019
Publicatiedatum
6 mei 2019
Zaaknummer
18/00362
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:381 BWArt. 1:453 BWArt. 1:454 BWArt. 6 EVRMArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling contactverbod curator met advocaat van curandus met dementie

In deze zaak staat centraal de vraag of een curator het contact tussen een curandus, een hoogbejaarde vrouw met dementie, en haar advocaat mag verbieden. De curator had een contactverbod ingesteld omdat het contact met de advocaat de gezondheidstoestand van de curandus negatief zou beïnvloeden. De voorzieningenrechter en het hof Amsterdam hebben dit contactverbod bevestigd.

De Hoge Raad overweegt dat de curandus in beginsel procesbekwaam is en recht heeft op ongestoord contact met haar advocaat, tenzij dit contact een onverantwoorde negatieve uitwerking op haar gezondheidstoestand heeft. De curator moet dit verbod kunnen onderbouwen, wat in deze zaak is gebeurd met een medische verklaring van de huisarts.

Het cassatieberoep betoogde onder meer dat het criterium voor een contactverbod aangescherpt moest worden en dat het contactverbod onterecht werd gehandhaafd ondanks opname in een verpleeghuis. De Hoge Raad oordeelt dat het arrest van 1994 nog steeds de juiste maatstaf geeft, dat het contactverbod voldoende is gemotiveerd en dat de opname in een verpleeghuis de situatie niet fundamenteel verandert.

Het beroep wordt verworpen, waarmee het contactverbod blijft gelden. De uitspraak bevestigt de balans tussen het recht op toegang tot de rechter en de bescherming van de gezondheid van een handelingsonbekwame curandus.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het contactverbod tussen de curandus en haar advocaat blijft gehandhaafd.

Conclusie

Zaaknr: 18/00362 M.H. Wissink
Zitting: 26 april 2019 Conclusie in de zaak van:
[eiseres] ,
advocaat: mr. K. Aantjes
tegen
1. [de curator] , pro se en in
hoedanigheid van (gewezen) curator van
eiseres tot cassatie,
advocaat voor [de curator] in hoedanighied van curator:
mr. J.H.M. van Swaaij
2. Goedhart Bewind B.V., in hoedanigheid
van (huidig) curator van eiseres tot cassatie
1. Inleiding, feiten [1] en procesverloop
1.1 In deze zaak gaat het om de vraag of het hof kon oordelen dat de curator het contact tussen de curanda en de advocaat van de curanda heeft kunnen verbieden.
1.2 Eiseres tot cassatie, [eiseres] , geboren in 1930, is hoogbejaard en gediagnosticeerd met dementie. Zij heeft vier dochters, die van mening verschillen over de invulling van de zorg ten behoeve van hun moeder. Tot maart 2015 is [eiseres] opgenomen geweest in een verpleegtehuis in Amsterdam. Op 4 april 2015 heeft een dochter haar meegenomen naar huis en bij haar thuis laten verblijven. Vanaf 28 december 2015 verbleef [eiseres] bij een andere dochter. Per 15 maart 2016 is [eiseres] met toepassing van een Bopz-indicatie geplaatst in een ander verpleegtehuis in Amsterdam, nadat de hierna te noemen curator het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) had gevraagd om een onderzoek op de voet van art. 60 Wet Pro Bopz.
1.3 Verweerster in cassatie sub 1 (hierna: de curator) is in 2014 benoemd tot bewindvoerder en mentor van [eiseres] . In 2015 is [eiseres] op verzoek van de curator onder curatele gesteld en is de curator in haar huidige functie benoemd. Een procedure waarin werd verzocht om het ontslag van de curator en benoeming van een opvolgend curator leidde tot de beschikking van de Hoge Raad van 13 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2624, NJ 2017/397.
1.4 Bij brief van 12 februari 2016 heeft de curator mr. Kramer, de advocaat van [eiseres] , verboden contact op te nemen met [eiseres] , op de grond dat de mate en duur van de verwardheid van [eiseres] aanmerkelijk zijn toegenomen en [eiseres] na een bezoek van mr. Kramer dagen van slag is geweest.
1.5 In dit kort geding vordert [eiseres] , kort gezegd, dat de curator wordt veroordeeld mr. Kramer ongehinderd toegang te (doen) verlenen tot haar. Na de curator in de gelegenheid te hebben gesteld om informatie van de huisarts van [eiseres] in het geding te brengen, heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam bij eindvonnis de gevraagde voorzieningen afgewezen. Bij arrest van 28 november 2017 heeft het hof Amsterdam deze vonnissen bekrachtigd.
1.6 Namens [eiseres] is bij procesinleiding van 23 januari 2018 tegen dit arrest cassatieberoep ingesteld. [2] De curator is met ingang van 18 juli 2017 ontslagen en opgevolgd door verweerster sub 2 als curator. Bij arrest in de incidenten van 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:982, heeft de Hoge Raad verstaan dat het geding daardoor niet is geschorst en is [eiseres] in de gelegenheid gesteld de opvolgend curator op te roepen in deze procedure te verschijnen. De curator is uitsluitend in haar hoedanigheid van inmiddels gewezen curator van [eiseres] in cassatie verschenen en heeft zich wat betreft de klachten van het cassatiemiddel gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad. De opvolgend curator, Goedhart Bewind B.V., is niet verschenen en tegen haar is verstek verleend.

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1
Het middel richt klachten tegen rov. 3.5-3.7 van het bestreden arrest. In rov. 3.5 vermeldt het hof de maatstaf die volgt uit HR 28 januari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1246, NJ 1994/687 m.nt. J. de Boer. In rov. 3.6 en 3.7 oordeelt het hof dat de grieven falen. Ik schets in 2.2.1. e.v. het juridisch kader en bespreek vanaf 2.3 het middel. Het middel slaagt naar mijn mening niet.
2.2.1
Voor aangelegenheden betreffende verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding zijn in de curatele de art. 1:453 en Pro 1:454 BW van overeenkomstige toepassing (art. 1:381 lid 4 BW Pro). Dit brengt mee dat de curator gehouden is de curandus zo veel mogelijk bij de vervulling van zijn taak te betrekken en dat hij bevordert dat de curandus (rechts)handelingen zelf verricht indien deze tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zaken in staat kan worden geacht (vgl. art. 1:454 lid 1 BW Pro). Moet de curator als vertegenwoordiger optreden, maar verzet de feitelijk onbekwame curandus zich tegen een door de curator gewenste ingrijpende handeling op het gebied van verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding, dan kan die handeling slechts plaatsvinden indien als dat kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel voor de curandus te voorkomen (zie art. 1:453 lid 5 BW Pro). [3]
2.2.2
De curator is verantwoordelijk voor de keuze van de feitelijke verblijfplaats van de curandus wanneer de curandus daartoe zelf niet in staat is. [4] Wanneer de curandus geen bereidheid maar ook geen verzet toont tegen een opname in een Bopz-instelling, dan kan de curator zonder rechterlijke machtiging wel namens de curandus het CIZ verzoeken een besluit tot opname en verblijf te nemen. Het CIZ zal dan toetsen of opname en verblijf van de curandus noodzakelijk is (art. 60 Wet Pro Bopz), [5] waarna, zo nodig, plaatsing in een verpleeghuis kan volgen.
2.2.3
De curandus is in beginsel handelings- en procesonbekwaam en moet in rechte worden vertegenwoordigd door de curator. In ‘zaken van curatele’ is degene wiens curatele het betreft echter bekwaam om in rechte op te treden en tegen een uitspraak hoger beroep in te stellen (zie art. 1:381 lid 6 BW Pro, voorheen art. 866 Rv Pro).
2.2.4
De Hoge Raad heeft in rov. 5.1 van het eerder genoemde arrest van 28 januari 1994 (hierna: het arrest van 1994), samengevat, overwogen:
1. Gelet op art. 6 lid 1 EVRM Pro, art. 14 lid 1 IVBP Pro en art. 17 en Pro 18 Gw, moeten de bepalingen betreffende curatele zo worden uitgelegd dat niet te kort wordt gedaan aan het recht van de curandus op een effectieve toegang tot de rechter, ook indien die toegang nodig is in verband met een geschil tussen de curandus en zijn curator. In het licht hiervan moet worden aangenomen dat de curandus, indien een onmiddellijke voorziening in kort geding nodig is in verband met een conflict met zijn curator over de verzorging of verpleging, waaronder een conflict over zijn verblijfplaats, ingevolge art. 886 Rv Pro (thans art. 1:381 lid 6 BW Pro) zelfstandig in rechte kan optreden en aan zijn advocaat een opdracht kan geven.
2. Dit uitgangspunt geldt, tenzij de curandus, ook met behulp van zijn advocaat, niet tot een redelijke waardering van zijn bij dit conflict betrokken belangen in staat is.
3. De bevoegdheid om zelfstandig in rechte op te treden brengt tevens mee dat de curandus in beginsel ook recht heeft op de daartoe noodzakelijke rechtshulp, m.n. op onverwijlde, ongestoorde en voldoende contacten met zijn advocaat, waaraan des te meer behoefte zal bestaan naar gelang met beperkingen van het inzicht van de curandus in zijn belangen meer rekening moet worden gehouden. Deze contacten, en meer in het algemeen vrij verkeer tussen advocaat en de curandus, zal de curator dan ook in beginsel niet mogen verbieden of belemmeren.
4. Gelet op de wettelijke taak van de curator, die mede de zorg en de verantwoordelijkheid voor de persoon van de curandus omvat, brengt een redelijke uitleg van het grondrecht op rechtshulp mee dat de curator tot zodanig verbod wel bevoegd is indien, gelet op de geestelijke en lichamelijke gezondheidstoestand van zijn curandus, eventueel in samenhang met de wijze van optreden van de advocaat, van vrij verkeer tussen de advocaat en curandus een zo ongunstige uitwerking op die gezondheidstoestand is te vrezen, dat dit verkeer met het oog op die uitwerking onverantwoord moet worden geacht.
2.2.5
In het arrest van 1994 wordt nog opgemerkt, dat in die zaak niet aan de orde is het geval van een onder curatele gestelde, die juist hulp behoeft, omdat hij zelf geen enkel inzicht in zijn belangen heeft, en die dus, voor wat betreft zijn bescherming in rechte, geheel van derden afhankelijk is. Uit het thans in cassatie bestreden arrest volgt dat het hof in de thans voorliggende zaak evenmin is uitgegaan van het bestaan van een situatie als zojuist bedoeld.
2.3
De klachten van het middel betreffen (i) de procesbekwaamheid van [eiseres] en (ii) de vraag of de regel van het arrest van 1994 over beperking van het contact tussen de curandus en diens advocaat (nog) volstaat om recht te doen aan de fundamentele rechten van [eiseres] .
Verder klaagt het middel over (iii) de toepassing van deze regel indien de curandus gebaat is bij rust, (iv) de motivering van het oordeel dat het contact met de advocaat leidt tot onrust, (v) het verschil tussen de conflicten tussen de dochters en de contacten met advocaat en (vi) de betekenis van de omstandigheid dat [eiseres] inmiddels is opgenomen in een verpleeghuis.
2.4 (
i) Volgens
de klacht op p. 2 en 3, eerste alinea, van de procesinleidingheeft het hof art. 6, 8, 13 EVRM, art. 47 Handvest Pro grondrechten EU en art. 18 Gw Pro geschonden door het recht van [eiseres] tot toegang tot de rechter te beperken zonder dat is gebleken dat is voldaan aan de daarvoor op grond van rechtspraak van het EHRM geldende eisen, dat de beperking een gerechtvaardigd doel dient, geschikt is om dat doel te dienen en niet onevenredig is in verhouding tot dat doel. Het arrest van 1994 bevestigt dat de curandus procesbekwaam is in gevallen waarin sprake is van een conflict tussen de curandus en de curator ten aanzien van de verzorging of verpleging van de curandus. Het hof heeft [eiseres] haar procesbekwaamheid ontnomen, althans (onredelijk) bemoeilijkt, wat een schending is van het fundamentele rechtsbeginsel van toegang tot het recht omdat voor de uitoefening daarvan onontbeerlijk is dat [eiseres] de zaak met haar advocaat kan bespreken en met behulp van die advocaat een afweging van haar processuele positie en belangen kan komen.
2.5
Anders dan de klacht veronderstelt (
met name op p. 3, eerste alinea, van de procesinleiding), heeft het hof niet miskend dat [eiseres] in een geval als dit procesbekwaam is, zoals ook blijkt uit het arrest van 1994, [6] en heeft het hof evenmin haar haar procesbekwaamheid ontnomen. Het hof heeft [eiseres] immers niet niet-ontvankelijk verklaard. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het bestreden arrest.
2.6 (
ii) De klacht dat het hof de procesbekwaamheid van [eiseres] onredelijk heeft bemoeilijkt, bespreek ik tezamen met
de klacht op p. 3, tweede alinea, van de procesinleidingdie – terecht – tot uitgangspunt neemt dat volgens het arrest van 1994 de curator tot een contactverbod bevoegd is als van vrij verkeer tussen advocaat en curandus een zo ongunstige uitwerking op die gezondheidstoestand is te vrezen dat dit verkeer met het oog op die uitwerking onverantwoord moet worden geacht.
Volgens deze klacht zal de Hoge Raad hier met het oog op EHRM 10 januari 2012 [7] op moeten terugkomen, althans het criterium “onverantwoord” moeten afbakenen en aanscherpen, om strijdigheid met art. 6 en Pro 13 EVRM, art. 47 Handvest Pro grondrechten EU en art. 18 Gw Pro op te heffen. Daartoe stelt het middel voor (
op p. 3, onderaan, van de procesinleiding) dat een contactverbod slechts aan de orde is indien als gevolg van contact met zijn advocaat de gezondheidstoestand van een curandus in een kritieke, althans gevaarlijke toestand kan komen te verkeren.
2.7
De regels van het arrest van 1994 zijn geformuleerd in het licht van het recht op toegang tot de rechter respectievelijk op rechtsbijstand, zoals dat besloten ligt in art. 6 lid 1 EVRM Pro, 14 lid 1 IVBP en 17 en 18 Gw. Het arrest van het EHRM van 10 januari 2012, waarop het middel zich beroept, betreft art. 13 EVRM Pro. Het middel geeft niet aan waarom uit art. 6 of Pro 8 EVRM volgt dat de regel van het arrest van 1994 over de toegang van de curandus tot diens advocaat, moet worden aangescherpt op de door het middel bedoelde wijze. Ik bespreek hieronder de betekenis van de art. 6, 8 en 13 EVRM voor deze zaak.
2.8.1
In art. 6 EVRM Pro ligt het recht op toegang tot de (burgerlijke) rechter besloten en, daarvan afgeleid, een recht op rechtshulp. Binnen hun ‘margin of appreciation’ hebben lidstaten ruimte om de uit art. 6 EVRM Pro voortvloeiende rechten te beperken, mits deze beperkingen, onder meer, een legitiem doel nastreven en in een redelijke verhouding tot dat doel dienen te staan. [8] Beperkingen op de door art. 6 EVRM Pro gewaarborgde rechten kunnen, in zaken waarin een oordeel wordt gegeven over de handelings(on)bekwaamheid van een persoon met een geestelijke stoornis, gerechtvaardigd zijn, bijv. indien zij ter bescherming zijn van de gezondheid of andere belangen van de handelingsonbekwame. Het EHRM aanvaart dat er zich gevallen kunnen voordoen waarin de handelingsonbekwame in het geheel geen samenhangend beeld kan geven van de situatie of voldoende duidelijke instructies kan geven aan zijn advocaat. In gevallen waarin een handelingsonbekwame daartoe wel in staat is, moet hij toegang tot de rechter hebben en de mogelijkheid hebben gehoord te worden, al dan niet met tussenkomst van een vertegenwoordiger. [9]
2.8.2
Blankman en Vermariën merken op dat in het licht van art. 6 EVRM Pro er een gevaar schuilt in het recht van de curator om het contact tussen de curandus en zijn advocaat te beperken. Het wordt aan de curator gelaten hierin een afweging te maken, terwijl verdere waarborgen hieromtrent niet worden gesteld. Zo is de curator niet verplicht een medische deskundige in te schakelen om te staven of er daadwerkelijk een zo ongunstige uitwerking op de gezondheidstoestand van de curandus is te vrezen, dat het contact tussen curandus en advocaat onverantwoord moet worden geacht. Aannemelijk is volgens hen wel dat – zou een dergelijk conflict voor de kantonrechter worden gebracht – de curator met een degelijke onderbouwing zal moeten komen om zijn keuze de contacten te beperken, te rechtvaardigen. [10] In de onderhavige zaak heeft de curator het verbod gestaafd met een medische verklaring van de huisarts van de curandus. Bovendien is de situatie getoetst door de rechter conform de daarvoor gegeven regel in het arrest van 1994.
2.8.3
Anders dan het middel betoogt, is de in het arrest van 1994 gegeven regel over de toegang van de curandus tot diens advocaat (nog steeds) in overeenstemming met art. 6 EVRM Pro, zodat het hof geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door deze regel in dit geval toe te passen.
2.9.1
Onder de reikwijdte van art. 8 lid 1 EVRM Pro vallen o.m. de persoonlijke autonomie en het recht het leven naar eigen inzicht te leiden [11] alsmede het recht op (vertrouwelijke) correspondentie met een advocaat, in welke vorm dan ook. Het aanbrengen van beperkingen hierop is volgens het tweede lid van art. 8 EVRM Pro toelaatbaar indien hierin wettelijk [12] is voorzien en de beperkingen een legitiem doel dienen en noodzakelijk en proportioneel zijn. [13] Het recht van een handelingsonbekwame met een geestelijke stoornis, om vrijelijk correspondentie met anderen te voeren, kan onder omstandigheden door een zorginstelling worden beperkt zonder dat dit een schending van art. 8 EVRM Pro oplevert. De geestelijke gesteldheid van betrokkene kan een legitieme reden zijn telefonisch contact te beperken. Ook kan fysieke toegang tot de handelingsonbekwame worden beperkt door een zorginstelling, voor zover deze beperking gericht is op de bescherming van de geestelijke gezondheid van de betrokkene. [14] Voorts heeft het EHRM in verschillende type zaken overwogen dat het contact tussen cliënt en advocaat kan worden beperkt, voor zover voldaan is aan de vereisten die op grond van art. 8 lid 2 EVRM Pro gelden voor beperkingen. [15]
2.9.2
De in het arrest van 1994 gegeven regel over de toegang van de curandus tot diens advocaat is als zodanig niet in strijd met art. 8 EVRM Pro, [16] zodat het hof geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door deze regel in dit geval toe te passen.
2.10.1
Art. 13 EVRM Pro betreft het recht op een effectief rechtsmiddel (als in: rechtsgang) [17] in geval van een inbreuk op de in het EVRM beschermde rechten. [18] Aangenomen wordt dat art. 13 EVRM Pro en art. 6 EVRM Pro elkaar overlappen en dat afzonderlijke toetsing aan art. 13 EVRM Pro, naast toetsing aan art. 6 EVRM Pro, in beginsel overbodig is. [19]
2.10.2
Art. 13 EVRM Pro is met name van belang in gevallen waarin wordt geklaagd over schending van materiële EVRM-rechten die niet onder het bereik van art. 6 EVRM Pro vallen, zoals geschillen op het terrein van het vreemdelingenrecht. EHRM 10 januari 2012, [20] waarop het middel zich beroept, betreft een dergelijke zaak. Een vluchteling vroeg zijn aanvraag voor een permanente verblijfsvergunning (om zich te voegen bij zijn wettig in Nederland verblijvende echtgenote en kinderen) vrijstelling van betaling van leges (€ 830). Het EHRM oordeelde dat sprake was van schending van art. 13 EVRM Pro door in de omstandigheden van het geval nadere eisen te stellen aan het verzoek nu vanwege de maandelijkse bijstandsuitkering van de echtgenote (€ 988) voldoende duidelijk was dat de klager niet in staat was de vereiste leges te betalen.
2.10.3
[eiseres] beschikt over een voldoende effectieve rechtsgang om het contactverbod door de rechter te laten beoordelen. Het middel verwijst niet naar stellingen in feitelijke instanties, waaruit zou blijken dat hierover in dit geval anders geoordeeld zou moeten worden. [21] Voor het overige verwijs ik naar de eerder ten aanzien van art. 6 EVRM Pro bereikte conclusie.
2.11
Zoals volgt uit het arrest van 1994, is de regel die het hof heeft toegepast in overeenstemming met art. 18 Gw Pro.
2.12
Art. 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie kan toepassing vinden in alle situaties die door het Unierecht worden beheerst, maar niet daarbuiten. [22] Nu in deze zaak het Unierecht geen rol speelt, faalt reeds daarom de stelling dat de regel van het arrest van 1994 niet strookt met art. 47 van Pro het Handvest.
2.13
Dat het contact tussen advocaat en curandus pas met recht verboden kan worden indien door het contact de gezondheidstoestand van de curandus in een kritieke althans gevaarlijke toestand kan komen te verkeren, zoals het middel nog aanvoert, blijkt niet uit het arrest 1994 en volgt evenmin uit de door het middel genoemde wets- en verdragsartikelen en de in dat verband geldende beperkingsvereisten.
2.14 (
iii) Volgens
de klacht op p. 3, derde alinea, van de procesinleidinggeeft het hof in rov. 3.6 een onjuiste toepassing aan de regel over het contactverbod van het arrest van 1994. Deze regel vereist dat
het verkeer tussen advocaat en curanduseen ongunstige uitwerking op de gezondheidstoestand van de curandus heeft en die ongunstige uitwerking onverantwoord moet worden geacht. De enkele omstandigheid dat een curandus gebaat is bij rust, is onvoldoende om aan te nemen dat is voldaan aan het criterium.
2.15
Deze klacht betreft een herhaling van het debat in feitelijke instanties en gaat uit van een onjuiste lezing van het arrest. In hoger beroep is namens [eiseres] aangevoerd dat het enkele feit dat de huisarts meent dat [eiseres] gebaat is bij rust om haar heen, geen contactverbod rechtvaardigt. Het hof heeft deze stelling in rov. 3.6 verworpen door erop te wijzen dat het oordeel van de voorzieningenrechter niet enkel erop gegrond is dat [eiseres] gebaat is bij rust om haar heen, maar ook op onderdelen van de verklaring van de huisarts waaruit blijkt dat [eiseres] aan een vrij ver gevorderde vorm van dementie lijdt, dat haar verzorging ernstig wordt belemmerd door haar opstandige en agressieve gedrag, dat dit gedrag aangewakkerd wordt als zij geconfronteerd wordt met conflicten tussen haar dochters en onenigheid over haar verblijfplaats, en dat de vrees gerechtvaardigd is dat de contacten tussen haar en de advocaat, die juist over deze onderwerpen zullen gaan, een zo ongunstige uitwerking zullen hebben op haar gezondheidstoestand, dat dit contact niet verantwoord is.
2.16 (
iv) Volgens
de klacht op p. 4, eerste en tweede alinea, van de procesinleidingis rov. 3.6 onvoldoende (inzichtelijk) gemotiveerd, omdat het hof niet antwoord op de essentiële stelling namens [eiseres] dat uit de verklaring van de huisarts niet kan volgen dat het contact met haar advocaat haar medische toestand heeft beïnvloed, waarbij zij heeft gewezen op de passage in de verklaring van de huisarts: “
Hoe [eiseres] gereageerd heeft op het bezoek van haar advocaat kan ik niet goed zeggen, omdat ik niet vlak na het bezoek aanwezig was.”
2.17
Anders dan de klacht aanvoert, blijkt uit rov. 3.6 om welke redenen het hof van oordeel is geweest dat van het contact tussen [eiseres] en haar advocaat een zo ongunstige uitwerking is te vrezen dat dit contact onverantwoord moet worden geacht. Ik verwijs naar 2.15.
De door de klacht genoemde stelling is voorts niet als essentieel te beschouwen. Anders dan de klacht veronderstelt is niet relevant hoe [eiseres] zich vlak na het bezoek van de advocaat heeft gedragen. Waar het om gaat is dat uit de verklaring van de huisarts blijkt dat [eiseres] aan een vrij ver gevorderde vorm van dementie lijdt, de verzorging van [eiseres] ernstig belemmerd wordt door haar opstandig gedrag en dat dit gedrag aangewakkerd wordt als zij geconfronteerd wordt met conflicten tussen haar dochters en onenigheid over haar verblijfplaats, terwijl te verwachten is dat de contacten met de advocaat juist over deze onderwerpen zullen gaan. Daarom heeft de curator een contactverbod opgelegd en hebben de voorzieningenrechter en hof dat gerechtvaardigd geacht.
2.18 (
v) Volgens
de klacht op p. 4, derde alinea, van de procesinleidingmiskent het hof dat conflicten tussen de dochters over de verblijfplaats van [eiseres] rechtens niet relevant zijn voor de vraag of is voldaan aan het criterium van vrees van onverantwoord contact tussen [eiseres] en haar advocaat. Het gaat (rechtens) niet om de conflicten tussen de dochters omtrent de verblijfplaats van [eiseres] , maar om datgene wat [eiseres] daaromtrent zelf wil. Het is de taak van de advocaat om [eiseres] te ondersteunen bij de waardering van haar belangen bij het conflict daaromtrent met de curator.
2.19
Ook deze klacht dient m.i. te falen, omdat uit rov. 3.6 blijkt dat in dit geval er een verband is tussen de conflicten tussen de dochters en onenigheid over de verblijfplaats, de contacten met de advocaat die juist over deze onderwerpen zullen gaan, en het daardoor aangewakkerde opstandige gedrag van [eiseres] , waardoor haar verzorging ernstig wordt belemmerd.
2.20 (
vi) Volgens
de klacht op p. 4, vierde alinea, en op p. 5 eerste alinea, van de procesinleidingis onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd de overweging dat de omstandigheid dat [eiseres] inmiddels is opgenomen in een verpleeghuis het oordeel over de gegrondheid van het contactverbod niet anders maakt.
Dit oordeel is onbegrijpelijk omdat na de plaatsing op grond van een indicatie ex art. 60 Wet Pro Bopz het conflict tussen de dochters over de verblijfplaats van [eiseres] is beslecht. Zonder nadere motivering valt niet in te zien waarom ondanks die plaatsing in een verpleeginstelling het contactverbod nog zou moeten voortduren.
Mede bezien in het licht van art. 6, 8, 13 EVRM, art. 47 Handvest Pro Grondrechten EU en art. 18 Gw Pro mag een contactverbod niet langer duren dan strikt noodzakelijk en moet het oordeel daaromtrent voldoende gemotiveerd zijn. Aan deze motiveringseis voldoet de beslissing niet.
[eiseres] heeft bij memorie van grieven aangevoerd dat de opname tot gevolg heeft gehad dat de door de huisarts genoemde situatie is komen te vervallen. Dit is een essentiële stelling waarop het hof had moeten voldoende inzichtelijk had moeten responderen, aldus de klacht.
2.21.1
Namens [eiseres] is in de procedure bij de rechtbank en het hof niet aangevoerd dat het conflict tussen haar dochters over haar verblijfplaats is beslecht vanwege haar opname in het verpleegtehuis. In zoverre berust het middel op een feitelijke stelling die niet voor het eerst in cassatie naar voren kan worden gebracht.
2.21.2
Het hof heeft voorts in rov. 3.6 voldoende gemotiveerd geoordeeld waarom de opname in het verpleeghuis de situatie niet anders maakt. Ook in het verpleeghuis verkeert [eiseres] immers in een situatie waarin zij afhankelijk is van verzorging. Uit de verklaring van de huisarts is, aldus het hof, af te leiden dat de verzorging van [eiseres] ernstig wordt belemmerd door haar opstandige gedrag dat wordt aangewakkerd als zij wordt geconfronteerd met conflicten tussen haar dochters en onenigheid over haar verblijfplaats en contact met haar advocaat hierover.
2.21.3
Het hof behoefde niet in te gaan op de vraag of het contactverbod in de tijd beperkt zou moeten worden nu het debat in feitelijke instanties daarvoor geen aanknopingspunt bevatte.
2.22
Ik kom tot de slotsom dat de klachten niet slagen zodat het cassatieberoep moet worden verworpen.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Ik geef de feiten verkort weer. Vgl. ook het arrest in de incidenten van 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:982, in deze zaak. Zie voor de feiten verder de vonnissen van 17 maart 2016, rov. 2.1-2.18, en van 8 april 2016, rov. 2.1-2-3, en het bestreden arrest van het Hof Amsterdam van 28 november 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4974, rov. 2 en 3.1.1-3.1.5.
2.Er is afgezien van een afzonderlijke schriftelijke toelichting van het middel.
3.J.H.M. ter Haar, GS Personen- en familierecht, art. 1:381 BW Pro, aant. 6, beschouwt de maatstaven van art. 1L453 lid 5 en 1:454 lid 1 BW als algemene uitgangspunt voor kwesties in de curatele.
4.Vgl. HR 29 april 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0302, NJ 1989/318 m.nt. E.A.A. Luijten, rov. 3.3. Zie voorts J.H.M. ter Haar, GS Personen- en familierecht, art. 1:381 BW Pro, aant. 5; P. Vlaardingerbroek e.a., Het hedendaagse personen- en familierecht 2017/13.2.6.E, 13.2.7.B; Asser/De Boer 1* 2010/1110; de conclusie van A-G Asser, punt 3.4, voor HR 28 januari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1246, NJ 1994/687 m.nt. J. de Boer.
5.J.H.M. ter Haar, GS Personen- en Familierecht, art. 1:381 BW Pro, aant. 5; P. Vlaardingerbroek e.a., Het hedendaagse personen- en familierecht 2017/13.2.9.B; Asser/De Boer 1* 2010/1110.
6.Zie A-G Keus, conclusie sub 2.11-2.12, voor HR 13 oktober 2017 ECLI:NL:HR:2017:2624, NJ 2017/397.
7.EHRM 10 januari 2012, 22251/07, ECLI:NL:XX:2012:BV2982, AB 2012/31 m.nt. T. Barkhuysen en M.L. van Emmerik.
8.EHRM 28 mei 1985, 8225/78, ECLI:CE:ECHR:1985:0528JUD000822578 (
9.EHRM 31 mei 2016, 17280/08, ECLI:CE:ECHR:2016:0531JUD001728008, EHRC 2016/179 (
10.K. Blankman & K. Vermariën, Conformiteit van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en het EVRM met de huidige en voorgestelde wetgeving inzake vertegenwoordiging van wilsonbekwame personen in Nederland, in opdracht van het College Rechten van de Mens, Vrije Universiteit, Amsterdam, december 2015, p. 58.
11.EHRM 29 april 2002, 2346/02, ECLI:NL:XX:2002:AP0678, NJ 2004/543 m.nt. E.A. Alkema (
12.Ook in de rechtspraak ontwikkelde beperkingen voldoen aan deze eis. Zie D. Harris e.a., Law of the European convention on human rights, Oxford: Oxford University Press 2014, p. 506.
13.Zie bijv. EHRM 31 mei 2016, 17280/08, ECLI:CE:ECHR:2016:0531JUD001728008, EHRC 2016/179 (
14.EHRM 14 februari 2012, 13469/06, ECLI:CE:ECHR:2012:0214JUD001346906, EHRC 2012/73 m.nt. A.C. Hendriks (
15.Zie bijv. het standaardarrest EHRM 21 februari 1975, nr. 4451/70, ECLI:NL:XX:1975:AB5466, NJ 1975/462 m.nt. E.A. Alkema (
16.Vgl. de conclusie van A-G Asser sub 3.5 voor het arrest van 1994.
17.P. Smits, Artikel 6 EVRM Pro en de civiele procedure, 2008/2.1.1 op p. 33.
18.D. Harris e.a., Law of the European convention on human rights, Oxford: Oxford University Press 2018, p. 745.
19.Zie bijv. EHRM 14 februari 2012, 13469/06, ECLI:CE:ECHR:2012:0214JUD001346906, EHRC 2012/73 m.nt. A.C. Hendriks (
20.EHRM 10 januari 2012, 22251/07, ECLI:NL:XX:2012:BV2982, AB 2012/31 m.nt. T. Barkhuysen en M.L. van Emmerik.
21.Een dergelijke beoordeling vereist een onderzoek mede van feitelijke aard waarvoor in cassatie geen plaats is. Zie HR 14 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5527, NJ 2000/713 m.nt. A.R. van Bloembergen, rov. 3.6; HR 6 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8071, NJ 2004/329, rov. 3.4.
22.Zie bijvoorbeeld HvJEU 26 februari 2013, C-617/10, ECLI:EU:C:2013:105, 2013/131 m.nt. R.J.G.M. Widdershoven, NJ 2013/348 m.nt. M.R. Mok (