Conclusie
advocaat: mr. A.C. van Schaick en mr. N.E. Groenveld-Tijssens
1.Inleiding
Nu er veel overlap is tussen de vragen die in procedure I en II moeten worden beantwoord, is het onwenselijk om de zaken als twee afzonderlijke procedures te behandelen. Dat zou er immers toe kunnen leiden dat partijen te maken krijgen met tegenstrijdige rechterlijke beslissingen, waardoor uitvoeringsproblemen ontstaan. De gedachte van de advocaten van [verweerster] is dat eerst procedure I wordt beslist door de Hoge Raad, waarna vervolgens al díe beslissingen gezag van gewijsde hebben in procedure II. Naar mijn mening is dat niet een echte oplossing, omdat het dan van de (toevallige) volgorde van behandeling van de procedures afhangt welke beslissingen gezag van gewijsde krijgen.
In deze conclusie heb ik één feitenrelaas opgesteld, ontleend aan de feitenvaststellingen in beide hofarresten en op een enkel punt aangevuld met andere vaststaande feiten. Uiteraard heb ik er rekening mee gehouden dat feiten die in het betreffende arrest niet vaststaan, geen rol kunnen spelen bij de beoordeling van de klachten in die procedure.
2.Feiten en procesverloop
duidelijkheid te verkrijgen over de totstandkoming en de ondertekening van de overeenkomst d.d. 13 september 2013, alsmede de daaraan ten grondslag liggende redenen.’ Meer in het bijzonder wenste zij ‘
haar stelling te bewijzen dat de overeenkomst namens [eiseres] alleen is ondertekend, omdat [verweerster] haar meedeelde dat zij voor het verkrijgen van een vergunning een ondertekende overeenkomst nodig had’. Bij beschikking van 21 mei 2014 is dit verzoek ingewilligd, waarna [eiseres] op 15 oktober 2014 vijf getuigen heeft doen horen.
3.Procesverloop procedure I
primairgevorderd een verklaring voor recht dat zij de overeenkomst op 6 februari 2015, althans op 12 februari 2015, althans op 2 maart 2015, rechtsgeldig heeft ontbonden, althans dat de rechter de overeenkomst zal ontbinden, met veroordeling van [verweerster] tot betaling van schadevergoeding, nader op te maken bij staat.
Subsidiairheeft [eiseres] gevorderd dat de overeenkomst op grond van onvoorziene omstandigheden met ingang van 9 februari 2015, althans met ingang van een door de rechtbank te bepalen datum, door de rechter zal worden ontbonden.
primairgevorderd:
primair en subsidiair:
4.Procesverloop procedure II
primairgevorderd een verklaring voor recht dat zij de overeenkomst op 6 februari 2015, althans op 12 februari 2015, althans op 2 maart 2015, rechtsgeldig heeft ontbonden, althans dat de overeenkomst zal worden ontbonden, met veroordeling van [verweerster] tot betaling van schadevergoeding, nader op te maken bij staat.
Subsidiairheeft [eiseres] gevorderd dat de overeenkomst op grond van onvoorziene omstandigheden met ingang van 9 februari 2015, althans met ingang van een door de rechtbank te bepalen datum, door de rechter zal worden ontbonden.
primair, een verklaring voor recht dat zij de overeenkomst op 6 februari 2015, althans op 12 februari 2015, althans op 2 maart 2015 rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft ontbonden.
Subsidiairheeft zij gevorderd dat de overeenkomst op grond van onvoorziene omstandigheden met ingang van 9 februari 2015, althans met ingang van een door het hof te bepalen datum, zal worden ontbonden.
Meer subsidiair, voor het geval de overeenkomst niet reeds eerder is ontbonden, heeft [eiseres] gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat de overeenkomst door tijdsverloop is geëindigd en [eiseres] daarom niet meer tot levering van botresidu is verplicht. Voor het geval de overeenkomst niet is of wordt ontbonden en/of door tijdsverloop is geëindigd, is bovendien ook
meer subsidiairgevorderd dat het hof zal bepalen dat [eiseres] is bevrijd van haar verplichtingen en zij daarom niet meer tot levering van botresidu is verplicht.
5.Bespreking van het cassatiemiddel in procedure I
4.4 Het beroep van [eiseres] op artikelen 6:258 BW en 6:248 BW heeft [eiseres] in hoger beroep onderbouwd met ná het bestreden vonnis voorgevallen feiten en omstandigheden. Nu zoals hierna zal blijken niet meer de nakoming van [eiseres] van de overeenkomst in het geding is, is er onvoldoende aanleiding op grond van de eerst na het bestreden vonnis gebleken feiten omstandigheden de overeenkomst te ontbinden dan wel de instandhouding daarvan onaanvaardbaar te achten. Daarnaast is tussen partijen sedert 9 februari 2015 een procedure over de ontbinding van de overeenkomst door [eiseres] bij (onder meer) brief van 6 februari 2015 aanhangig en thans in behandeling bij een ander hof. Voor zover [eiseres] zich tevens beroept op de in eerste aanleg genoemde feiten en omstandigheden, sluit het hof zich aan bij rov. 3.22 van het bestreden vonnis en maakt hij die overweging tot de zijne. Grief 5 in het principaal hoger beroep faalt.”
nahet bestreden vonnis voorgevallen feiten en omstandigheden, heeft miskend dat ook omstandigheden van vóór het vonnis zijn ingeroepen. [eiseres] heeft haar beroep op in ieder geval art. 6:258 BW Pro (onvoorziene omstandigheden) namelijk ook onderbouwd met de volgende feiten en omstandigheden, die alle dateren van vóór het vonnis:
In die situatie is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar indien [verweerster] van [eiseres] de ongewijzigde instandhouding van de door haar gestelde overeenkomst van 13 september 2013 verlangt” (onder 5.5.4), en dat zij ‘
om bovenstaande redenen’ ‘
in de procedure in hoger beroep bij het Gerechtshof Den Bosch subsidiair de ontbinding gevorderd [heeft] op grond van het bepaalde in artikel 6:258 BW Pro, te weten voor het geval de overeenkomst niet reeds eerder door [eiseres] buitengerechtelijk is ontbonden’ (onder 5.5.5). Met enige goede wil is hier, in samenhang met het gestelde onder 4.18-4.25, een beroep op art. 6:258 BW Pro te lezen. Blijkens haar verwijzing naar ‘bovenstaande redenen’, zal [eiseres] bedoeld hebben dit beroep te ondersteunen met de feiten en omstandigheden die zij vermeldde onder 5.5.3:
Wij kunnen niet nakomen want wij kunnen het product niet afzetten en de financiële last is heel groot en die kunnen wij onmogelijk dragen. Na het vonnis hebben wij de leveranties hervat maar toen kon [verweerster] niet drogen en hebben we de overeenkomst ontbonden. Daarover loopt een procedure bij de rechtbank Roermond. (...)
Voor zover [eiseres] met deze stelling bedoeld heeft een beroep te doen op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, zoals omschreven in artikel 6:248 BW Pro lid 2, gaat ook dit beroep niet op.
Gelet op de conclusie dat tussen partijen niet is overeengekomen dat het beenderenmeel geschikt moest zijn voor de vervaardiging van een bepaalde categorie diervoerderproducten of aan andere (kwaliteits)eisen moest voldoen, komt de omstandigheid dat de afzetmogelijkheden [voor het beendermeel] beperkt dan wel nihil zouden zijn, voor rekening en risico van [eiseres].
subonderdeel 1.3is ’s hofs oordeel in rov. 4.4 onjuist en/of onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, doordat het hof de feiten en omstandigheden van vóór respectievelijk ná het vonnis gescheiden heeft beoordeeld, terwijl toetsing van het beroep op art. 6:248 lid 2 BW Pro en art. 6:258 BW Pro een integrale beoordeling van alle ingeroepen omstandigheden vergt.
subonderdeel 1.5is onjuist en/of onvoldoende begrijpelijk het oordeel van het hof dat, nu niet meer de nakoming door [eiseres] in het geding is, er onvoldoende aanleiding is op grond van eerst na het bestreden vonnis gebleken feiten en omstandigheden de overeenkomst te ontbinden dan wel instandhouding daarvan onaanvaardbaar te achten. Niet (zonder meer) valt in te zien dat en waarom het feit dat nakoming niet meer in het geding is, relevant is voor deze beoordeling.
subonderdeel 2.1klaagt [eiseres] dat het hof bij zijn beoordeling ten onrechte geen acht heeft geslagen op het door [eiseres] aangevoerde verweer dat de overeenkomst in februari althans maart 2015 buitengerechtelijk is ontbonden. Hiermee heeft het hof miskend dat een (rechtsgeldige) buitengerechtelijke ontbinding in de weg staat aan de door [verweerster] gevorderde vervangende schadevergoeding. Als het hof heeft miskend dat [eiseres] een beroep heeft gedaan op deze werking van de ontbinding, is het uitgegaan van een onbegrijpelijke lezing van de processtukken. Als het hof dat niet heeft miskend, dan heeft het verzuimd om in te gaan op het verweer van [eiseres] dat de buitengerechtelijke ontbinding in de weg staat aan toewijzing van de vordering van [verweerster] tot vervangende schadevergoeding.
niettekortgeschoten is in de nakoming van enige verbintenis die uit hoofde van de overeenkomst van 13 september 2013 op haar rustte en dat zij niet in
verzuimverkeerde. In dit oordeel ligt besloten dat [eiseres] niet bevoegd was om de overeenkomst te ontbinden, en dat haar buitengerechtelijke ontbindingen van 6 februari 2015, 12 februari 2015 en 2 maart 2015 derhalve geen doel hebben getroffen. Dat kan logischerwijs slechts tot de conclusie leiden dat het verweer van [eiseres] tegen de vorderingen van [verweerster] , dat zij de overeenkomst heeft ontbonden, door het hof is verworpen.
subonderdeel 2.3klaagt [eiseres] dat voor zover het hof tot uitgangspunt heeft genomen dat haar verzuim aan ontbinding in de weg staat, het hof daarmee heeft miskend dat [eiseres] zich erop heeft beroepen dat:
nietworden afgeleid dat het hof van oordeel is dat sprake was van schuldeisersverzuim aan de zijde [verweerster] , waardoor [verweerster] niet bevoegd zou zijn geweest de overeenkomst te ontbinden (art. 6:266 BW Pro).
Daarop stuiten de klachten af.
subonderdeel 2.4klaagt [eiseres] dat indien in ’s hofs oordelen besloten ligt dat (i) het feit dat in november 2014 een Erkenning Categorie 3-hoog nodig was voor de beoordeling van de vordering tot vervangende schadevergoeding over de periode vanaf november 2013 en/of (ii) het feit dat op grond van de nieuwe regeling een proefperiode van 30 dagen nodig was, niet relevant zijn, een verwerping van [eiseres] beroep op ontbinding moet worden gelezen, dit getuigt van een onjuiste rechtsopvatting althans dit oordeel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Niet valt in te zien dat [eiseres] ontbinding niet naar de op het moment van die ontbinding geldende omstandigheden moet worden beoordeeld. [23] Voor zover het hof toepassing heeft willen geven aan art. 6:84 B, heeft het miskend dat deze bepaling niet aan ontbinding in de weg staat.
De klachten falen.
subonderdeel 2.5klaagt [eiseres] dat ’s hofs oordeel dat in november 2014 de mogelijkheid van een Erkenning Categorie 3-laag niet meer bestond, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting nu de op dat moment toepasselijke regelgeving, voor zover relevant, gelijk is aan de regelgeving zoals die in november 2013 tot en met januari/februari 2014 gold.
Onder deze omstandigheden was er geen enkele aanleiding voor het hof om zich nader te verdiepen in de vraag of de Erkenning Categorie 3-laag nog kon worden aangevraagd c.q. of de regelgeving op dit punt al dan niet gewijzigd was. Dat geldt temeer nu het hof van oordeel is dat het niet meer kunnen aanvragen van de Erkenning Categorie 3-laag voor de beoordeling van de vordering tot vervangende schadevergoeding ‘niet relevant’ is (rov. 4.6).
subonderdeel 2.6in. Dit oordeel doet immers niet af aan [eiseres] beroep op ontbinding op grond van het tekortschieten van [verweerster] , nu dit beroep is gebaseerd op het feit dat [verweerster] niet haar verbintenissen kon nakomen om de kippenbotjes in ontvangst te nemen en te drogen. [26] Bovendien is ’s hofs oordeel dat het bedrijfsrisico voor de mogelijkheden van afzet bij [eiseres] lag, onjuist of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd in het licht van [eiseres] betoog dat voor beide partijen duidelijk was dat [eiseres] niet tot levering zou overgaan indien er geen (voldoende) opbrengst kon worden gegenereerd. [27]
3.17 (...)
dus niet beantwoordde aan de overeenkomst, niet steekhoudend is: er zijn andere oorzaken denkbaar waarom het meel is gaan rotten. Dit stond het hof vrij; het hof is dan ook niet buiten het partijdebat getreden. [30]
normaliter tot meel verwerkt botresidu veel langer houdbaar blijft en niet zo snel gaat rotten” en “
de oorzaak van het rotten (alleen) kan zijn gelegen in het feit dat het overeengekomen vochtpercentage van 11% werd overschreden”. [32] Na betwisting door [verweerster] in de memorie na antwoord, onder verwijzing naar een door haar overgelegd analyserapport (prod. F), is [eiseres] in haar daarna genomen memorie in het incidenteel appel (onder 4.1-4.5) uitgebreid ingegaan op de vordering uit hoofde van de afvoerkosten van het (gerotte) beendermeel. Daarbij heeft [eiseres] niet aangevoerd dat zij in bewijsnood verkeerde en/of dat zij nadere informatie van [verweerster] nodig had om haar stellingen verder te onderbouwen. Bovendien heeft [eiseres] geen op dit punt toegespitst bewijsaanbod gedaan. Het hof kon dan ook volstaan met zijn oordeel dat [eiseres] haar stellingen onvoldoende had toegelicht, zodat niet toegekomen wordt aan bewijslevering. [33] Daarmee faalt de klacht.
Hierop stuit de klacht af.
subonderdeel 4.2wordt in de eerste plaats betoogd dat voor zover het oordeel van het hof inhoudt dat het product van [verweerster] aan de op haar rustende verbintenis beantwoordde ook al was geen sprake van een goedgekeurde verwerkingsmethode, het hof heeft miskend dat wat een verbintenis uit overeenkomst vergt, afhangt van de uitleg van de overeenkomst volgens de Haviltex-maatstaf. Volgens het subonderdeel zou het hof bovendien onvoldoende (kenbare) aandacht hebben besteed aan [eiseres] betoog dat:
,zodat ’s hofs beslissing onbegrijpelijk is.
subonderdeel 4.4is het oordeel van het hof aan het slot van rov. 4.10, dat [eiseres] haar standpunt dat het haar verboden was het product op te halen vanwege aan [verweerster] te wijten omstandigheden onvoldoende feitelijk heeft toegelicht, onjuist of onbegrijpelijk. [eiseres] heeft gesteld dat de NVWA de verwerkingsmethode en het resultaat heeft afgekeurd, zodat het residu niet mocht worden geleverd en moest worden afgevoerd aan Rendac. [40] Bovendien heeft [verweerster] zelf gesteld dat het gedroogde botresidu pas mag worden verhandeld na 30 dagen, als de testen van het geproduceerde beendermeel goed zijn en de NVWA het productieproces van [verweerster] heeft goedgekeurd. Het hof had [eiseres] betoog moeten beoordelen vanuit het perspectief van wanprestatie van [verweerster] wegens niet nakoming van haar leveringsplicht.
onderdeel 5.1heeft het hof miskend dat [eiseres] zich tegen deze vordering heeft verweerd met de stelling dat [verweerster] zelf tekortschoot in de nakoming van haar verplichtingen en dat zij, gelet op het verzuim van [verweerster] , haar betalingsverplichting jegens [verweerster] mocht opschorten. [41] [eiseres] heeft namelijk aangevoerd dat [verweerster] niet aan haar verplichting tot levering van beendermeel kan voldoen; [42] dat [verweerster] vanaf 27 februari 2015 geen botresidu meer mocht ontvangen; dat het botresidu gedurende de proefperiode niet verhandeld mocht worden en dat de mislukte proefperiode ertoe heeft geleid dat het onzeker blijft of [verweerster] wel beendermeel kan terugleveren. [43] Daarbij komt, zo wordt aangevoerd, dat [verweerster] zelf ook heeft aangevoerd dat zolang haar droogprocedé in 2015 niet was goedgekeurd, het geproduceerde beendermeel in de proefperiode niet mocht worden verhandeld, [44] terwijl [eiseres] heeft gesteld dat de overeenkomst de verplichting bevatte voor [verweerster] om (i) het botresidu in levering te aanvaarden [45] , (ii) het botresidu tot beendermeel te drogen, (iii) welk beendermeel [eiseres] dan zou kunnen verhandelen. [46]
niet hoeft te betalen voor iets wat zij niet heeft gekregen.”
niet hoeft te betalen voor iets wat zij niet heeft gekregen.”Daarmee is het hof voldoende ingegaan op de omstandigheid dat het beendermeel gedurende de proefperiode van 30 dagen niet mocht worden verhandeld.
6.Bespreking van het cassatiemiddel in procedure II
februari 2015, wanneer zij [verweerster] sommeert om inzage te geven in de omgevingsvergunning (zie onder 2.23). Het is ook deze brief waarnaar zij verwijst in de feitelijke stukken waarnaar in de cassatieklacht wordt verwezen.
houder. En dat is [eiseres] niet. Het voorgaande zou wellicht anders kunnen zijn als de leverancier wist of redelijkerwijs kon weten dat zij levert aan een partij die niet beschikt over een geldige en toereikende vergunning. Maar, zoals gezegd, daar was in ieder geval in november 2013 – februari 2014 geen sprake van.
subonderdeel 1.2is het oordeel van het hof dat het enkele feit dat [verweerster] een omgevingsvergunning heeft, betekent dat [verweerster] niet het recht had de leveringen te staken, onjuist of onbegrijpelijk. Beslissend is immers of die vergunning de door de overeenkomst voorziene verbintenissen dekt. Dat was niet het geval.
in de zaken 10 810 en 10 811:
Parochiehuis Woerdennog steeds geldt. [50]
Hierop stuit de klacht af.
het ervoor moet worden gehouden dat [verweerster] voor de aanvankelijk voorziene periode van november 2013 tot en met januari/februari 2014 beschikte over de benodigde publiekrechtelijke toestemmingen voor de verwerking tot Erkenning Categorie 3-laag producten” (rov. 4.6).
dat [eiseres] zich heeft ingespannen om de omgevingsvergunning vernietigd te krijgen” (rov. 7.9 sub c). Dat blijkt uit het feit dat [eiseres] bij monde van haar advocaat bij brief van 31 december 2014 contact heeft gezocht met de provincie Limburg. In deze brief heeft zij vermeld dat [verweerster] onjuiste gegevens zou hebben verstrekt ter verkrijging van haar vergunning (zie memorie van grieven onder 3.33). De provincie heeft [eiseres] daarop laten weten dat zij zal toezien op de naleving van de vergunningsvoorschriften en ‘dat civielrechtelijke overeenkomsten tussen [verweerster] en [eiseres] voor de provincie niet relevant zijn’ (zie memorie van grieven onder 3.34). [eiseres] heeft hiermee geen genoegen genomen en zich nogmaals tot de provincie gewend (brief van 13 januari 2015, memorie van grieven onder 3.35), waarop zij wederom niet het antwoord kreeg dat zij wenste (namelijk: dat [verweerster] activiteiten verrichtte die niet door haar vergunning werden gedekt). Na herhaald aandringen van de advocaat van [eiseres] heeft een medewerker van de provincie uiteindelijk telefonisch verklaard – zo stelt althans [eiseres] , zie memorie van grieven onder 3.37 – dat het [verweerster] níet is toegestaan het botresidu van [eiseres] te verwerken, nu dat niet is gesteriliseerd (zo begrijp ik). Ten slotte is tijdens de comparitie bij de rechtbank door [verweerster] verklaard dat [eiseres] een brief aan omwonenden heeft gestuurd dat [verweerster] slachtafval zou gaan verwerken. [53] Onder deze omstandigheden zou het des temeer onterecht zijn dat [eiseres] onder haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst zou kunnen uitkomen, omdat de omgevingsvergunning van [verweerster] op 6 augustus 2015 is vernietigd. Waarbij nog is aan te tekenen dat [verweerster] hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. [54]
7.7.4.3 (...)
subonderdeel 2.3in dat het oordeel dat uitsluitend het aanvragen van een erkenning-hoog niveau/optie 7 mogelijk was, welk oordeel uitsluitend is gebaseerd op een email van de NVWA van 17 april 2014 waaruit dit niet ondubbelzinnig volgt, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting door de overige mogelijkheden niet bij het oordeel te betrekken, namelijk dat voor het verkrijgen van een erkenning zeven drogingsmethodes bestaan, ter zake waarvan alleen de zevende een proefperiode kent. [57] Het oordeel is tevens onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.
subonderdeel 2.4in dat voorzover het hof uit de e-mail van de NVWA van 17 april 2014 afleidt dat [verweersters] stelling dat eind 2014/begin 2015 de Erkenning-laag niet meer bestaat juist is, dit oordeel onbegrijpelijk is. Volgens [verweerster] bestond de Erkenning-laag immers niet meer vanaf november 2014. [58]
Nahet vonnis van de rechtbank in procedure I, is [eiseres] zich op het standpunt gaan stellen dat [verweerster] ten onrechte een Erkenning Categorie 3-hoog heeft aangevraagd met de daaraan verbonden 30-dagen proefperiode, omdat dit voor haar tot onzekerheid leidt (zie o.m. MvG procedure II, onder 5.5.5.). Daarnaast heeft [eiseres] in procedure II betoogd dat het haar niet bekend is of het voor [verweerster] mogelijk was om de ‘erkenning Categorie 3-laag te reactiveren (zie o.m. MvG onder 5.5.3). De reactie van [verweerster] hierop was dat het niet meer mogelijk was om een erkenning Categorie 3-laag te activeren, omdat deze vanaf november 2014 niet meer bestond. [62] Ten slotte is [eiseres] in procedure II gaan betogen dat [verweerster] nimmer een geldige Erkenning Categorie 3-hoog zou hebben verkregen van de NVWA (zie o.m. MvG onder 4.17). [verweerster] heeft daartegenover gesteld (zie MvA onder 36) dat zij die erkenning wél had verkregen, althans kunnen verkrijgen als [eiseres] de leveranties had voortgezet, onder verwijzing naar het schrijven van de NVWA van 17 april 2014. [63]
subonderdeel 3.5getuigt het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, voor zover het hof zou hebben aangenomen dat de ontstane problemen met het opnieuw verkrijgen van een erkenning een beletsel aan de zijde van [eiseres] vormen in de zin van art. 6:58 BW Pro.
subonderdeel 3.6stelt [eiseres] dat de slotalinea niet de conclusie kan dragen dat geen sprake is van een tekortkoming.
subonderdeel 4.2ook onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, voor zover het hof heeft geoordeeld dat het niet in ontvangst (kunnen of mogen) nemen van het botresidu geen tekortkoming is. [eiseres] heeft immers aan het ontbindingsberoep ten grondslag gelegd dat [verweerster] verplicht is botresidu in levering te aanvaarden
endat zij hiertoe niet in staat bleek. [68] Deze beide stellingen zijn niet door het hof verworpen.
door [eiseres]geleverde product, en dat de hoeveelheid geweigerd botresidu zodanig gering is, dat deze de ontbinding niet rechtvaardigt (MvA onder 25).
door [eiseres]geleverde botresidu. Daarmee ligt in ’s hofs oordeel besloten dat het weigeren van de ladingen botresidu in de risicosfeer van [eiseres] ligt. Dat oordeel is bovendien niet los te zien van ’s hofs eerdere overweging, dat [eiseres] in november 2013 tekort geschoten is in de nakoming van de op haar rustende leveringsverplichting uit hoofde van de overeenkomst (rov. 7.7.3), en dat de aangescherpte eisen in verband met de door [verweerster] aangevraagde Erkenning Categorie 3-hoog, een gevolg zijn van haar ( [eiseres] ) eigen handelen (rov. 7.7.4.3).
subonderdeel 5.3wordt gesteld dat ’s hofs oordeel onder (b) dat het aanvragen van de Erkenning Categorie 3-hoog en de daarbij behorende verplichte proefperiode geen onvoorziene omstandigheden oplevert, onjuist is en/of onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Ook als juist is dat dit een gevolg is van [eiseres] tekortschieten, draagt dit niet de conclusie dat partijen dit in de overeenkomst hebben verdisconteerd.
subonderdeel 5.4is omstandigheid (c) onjuist en/of onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, nu de omstandigheid dat [eiseres] zich heeft ingespannen om de omgevingsvergunning vernietigd te krijgen, niet de conclusie kan dragen dat partijen het verlies van de omgevingsvergunning bij het sluiten van de overeenkomst, daarin hebben verdisconteerd.
Hiermee falen de subonderdelen 5.1, 5.2, 5.3 en 5.4.
subonderdeel 5.6zich tegen de overweging onder (f). Daarmee zou het hof hebben miskend dat het partijdebat over het eindigen van de overeenkomst door tijdsverloop, niet stond in het kader van onvoorziene omstandigheden maar betrekking had op een zelfstandige vordering. [74] De bedoelde overweging is, gelet op dit kader en het daarover gevoerde debat, [75] dan ook onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, nu niet zonder meer valt in te zien “dat ook onder de omstandigheid dat [verweerster] haar afnameverplichting niet kan nakomen, de overeenkomst pas eindigt als gedurende drie maanden is geleverd”.