ECLI:NL:HR:2019:320

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 maart 2019
Publicatiedatum
6 maart 2019
Zaaknummer
18/03788
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling cassatie over buitengerechtelijke ontbinding en onvoorziene omstandigheden bij omgevingsvergunning

De zaak betreft een geschil tussen eiseres en verweerster over de buitengerechtelijke ontbinding dan wel vernietiging van een overeenkomst, waarbij onvoorziene omstandigheden en de uitleg van een omgevingsvergunning centraal staan.

De procedure begon bij de rechtbank Limburg, waarna het gerechtshof 's-Hertogenbosch in twee arresten uitspraak deed, waarvan het laatste arrest van 5 juni 2018 aan het Hoge Raad-arrest is gehecht. Eiseres stelde cassatieberoep in tegen dit laatste arrest, maar de Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden.

De Hoge Raad motiveerde dat geen nadere beantwoording van rechtsvragen noodzakelijk was, omdat de klachten niet relevant waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het beroep werd derhalve verworpen en eiseres werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

De uitspraak bevestigt de rechtspraak omtrent de grondslagen van buitengerechtelijke ontbinding, de terugwerkende kracht van vernietiging en de toepassing van onvoorziene omstandigheden bij overeenkomstenrecht, met specifieke aandacht voor de uitleg van omgevingsvergunningen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

8 maart 2019
Eerste Kamer
18/03788
TT/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiseres] ,
gevestigd te [vestigingsplaats]
,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. B.T.M. van der Wiel,
t e g e n
[verweerster] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaten: mr. A.C. van Schaick en
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerster] .

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/03/202420/HA ZA 15-92 van de rechtbank Limburg van 15 juni 2016;
b. de arresten in de zaak 200.198.406/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 19 september 2017 en 5 juni 2018.
Het arrest van het hof van 5 juni 2018 is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 5 juni 2018 heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerster] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor [verweerster] toegelicht door haar advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping.
De advocaat van [eiseres] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 865,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiseres] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
8 maart 2019.