Conclusie
middelklaagt, in samenhang bezien met de toelichting daarop, dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de situatie als genoemd in art. 116 lid 3 Sv Pro niet aan de orde zou zijn en dat de rechtbank is uitgegaan van een te enge uitleg van de term ‘beslagene’ als bedoeld in het voornoemde artikel.
a contrario, onder meer of de auto aan de klaagster toebehoort. Het is de vraag wat de Hoge Raad met de term ‘toebehoren’ tot uitdrukking heeft willen brengen. In ieder geval lijkt deze term ook de eigendom te omvatten. [9] Iets anders is of hieruit moet worden afgeleid dat de beslagene als bedoeld in art. 116 lid 3 Sv Pro moet worden gelijkgeschakeld met de persoon aan wie het goed toebehoort op het moment van het voornemen van de officier van justitie om het goed terug te geven. Ik meen van niet. Van belang is dat in de voornoemde zaak de rechtbank de klaagster expliciet als beslagene had aangemerkt. Dit betreft een feitelijke vaststelling, die in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. Binnen deze context speelde dus de vraag of de klaagster de beslagene was. Ik begrijp, dus nog steeds in die context, dat de (niet-ondenkbare) vaststelling dat het inbeslaggenomen goed niet aan haar toebehoorde aan de kwalificatie van de klaagster als beslagene in de weg had kunnen staan. Daarvan was echter geen sprake. Bovendien staat in de uitspraak nog steeds het moment van beslaglegging centraal en niet een later moment waarop de eigendom eventueel is overgegaan.