Conclusie
4. Revalidatiegeneeskundige fasen
5.Randvoorwaarden
2. Randvoorwaarden
position paperopgesteld waarin zij haar doelstellingen, behandelingen en principes uiteenzet.
geen enkeldossier sprake is van een juiste indicatie voor medisch specialistische revalidatiezorg is sprake van een structureel “opwaarderen” van zowel milde psychologische en psychosociale milde klachten of beperkingen van het bewegingsapparaat. (...)
Contactmomenten
€ 7.668.714,99. Graag ontvangen wij van u een reactie, uiterlijk binnen 3 weken, hoe u dit wenst te corrigeren. (…)”
2.Procesverloop
Samenvatting
6.De slotsom
7. De beslissing
€ 5.000.000,00 (zegge: vijf miljoen euro); (…)”
3.Bespreking van de cassatieklachten
subonderdeel 1.1.voert VGZ aan dat het bevel betrekking heeft op openstaande declaraties waarvan Ciran een overzicht als productie 3 bij de dagvaarding in kort geding heeft overgelegd en ten aanzien waarvan VGZ in het dictum reeds tot betaling aan Ciran is veroordeeld. Door aan het bevel een dwangsom te verbinden, heeft het hof in strijd met art. 611a lid 1 Rv in wezen een dwangsom verbonden aan een veroordeling tot betaling van een geldsom. In
subonderdeel 1.2.stelt VGZ zich op het standpunt dat, voor zover VGZ wordt bevolen om zich te onthouden van iedere vorm van opschorting, inhouding of verrekening ten aanzien van andere declaraties dan de declaraties vermeld in genoemde productie 3 c.q. toekomstige declaraties, de dwangsomveroordeling ook in strijd is met art. 611a lid 1 Rv, omdat het hof ook dan in wezen een dwangsom heeft verbonden aan een veroordeling tot betaling van een geldsom. Aangezien Ciran – zo nodig te zijner tijd – voor de betaling van toekomstige declaraties een executoriale titel kan verkrijgen (bijvoorbeeld in een nieuw kort geding) en dus door middel van rechtstreekse executie voldoening van haar toekomstige declaraties kan verkrijgen, is het opleggen van een dwangsom niet mogelijk, aldus VGZ.
Trb.1974/6) en komt overeen met art. 1 lid Pro 1, tweede zin, van die eenvormige wet. In de gemeenschappelijke memorie van toelichting bij genoemde Benelux-Overeenkomst valt het volgende te lezen: [12]
rechtstreekse tenuitvoerleggingte bewerkstelligen [16] en in een soortgelijke zaak dat ii) alleen dan voor oplegging van een dwangsom geen plaats is, indien de schuldeiser (in die zaak: de verkoper) betaling van de geldsom kan bewerkstelligen door
rechtstreekse executie, dus zonder dat daartoe in enigerlei vorm de medewerking van de schuldenaar (in die zaak: de koper) is vereist. [17]
uitstaandedeclaraties, hecht ik echter wel betekenis aan het standpunt van de curator in dit verband. Uit zijn stellingen blijkt dat het door Ciran gevorderde verbod/bevel in ieder geval wat Ciran betreft zowel ziet op de uitstaande declaraties als op toekomstige declaraties. [20] Dat is wat mij betreft van belang, omdat het hier centraal gestelde verbod/bevel in ieder geval voor wat betreft de
uitstaandedeclaraties in essentie neerkomt op veroordeling tot betaling van een geldsom, omdat VGZ door de combinatie van verbod/bevel en haar veroordeling tot betaling van de uitstaande declaraties in hetzelfde eindarrest niets anders rest dan te betalen. Het verbod/bevel moet daarom in zoverre worden beschouwd als een (verkapt) bevel tot betaling van een geldsom, waarvan voldoening juist door middel van rechtstreekse executie (gezien het dictum van het eindarrest [21] : thans ook daadwerkelijk) kan worden verkregen. [22] In zo’n geval verzet art. 611a lid 1 Rv zich juist tegen het opleggen van een dwangsom.
toekomstigedeclaraties. Of ook in dat geval sprake is van een dwangsom die in wezen gekoppeld wordt aan betaling van een geldsom is daarmee nog niet zonder meer gezegd. Ik ben van oordeel dat het hof dit wel had moeten onderzoeken. Ik licht dat toe.
subonderdelen 1.1. en 1.2.slagen en daarmee
onderdeel 1. [28]
gevorderde dwangsomambtshalve [zal] matigen omdat de
hierna bepaalde dwangsommeneen voldoende prikkel tot nakomen lijken te zijn.” [onderstreping toegevoegd, A-G]. De dwangsomoplegging die Ciran heeft
gevorderdwordt gekenmerkt zowel door de aanduiding van de omvang van een bedrag per tijdseenheid als door het aangeven van een maximumbedrag aan te verbeuren dwangsommen. Niet duidelijk is of het hof met de door Ciran “gevorderde dwangsom” in rov. 5.13 doelt op de door Ciran
gevorderdehoogte van de dwangsom per tijdseenheid of (ook?) op het door Ciran
gevorderdemaximum aan te verbeuren dwangsommen. Hooguit kan men stellen dat de zinsnede “omdat de hierna bepaalde
dwangsommeneen voldoende prikkel tot nakomen lijken te zijn” [onderstreping toegevoegd, A-G] eerder duidt op het toe te wijzen maximumbedrag aan te verbeuren dwangsommen dan op de vaststelling van de hoogte van het dwangsombedrag per tijdseenheid gezien de door het hof gehanteerde meervoudsvorm van het woord dwangsom. Nu het hof vervolgens in zijn dictum de door Ciran gevorderde dwangsom niet heeft verlaagd (de hoogte van de dwangsom per tijdseenheid is gelijk gebleven en het maximumbedrag aan te verbeuren dwangsommen is zelfs fors verhoogd), is sprake van een innerlijke tegenstrijdigheid in het eindarrest. Het onderdeel klaagt daarom terecht over onbegrijpelijkheid van het oordeel van het hof.
Subonderdeel 2.1.slaagt derhalve. [29]
subonderdeel 2.2.slaagt derhalve. [35]
subonderdeel 2.1. als 2.2.mijns inziens doel treft, slaagt
onderdeel 2.
onderdelen 1. en 2.slagen beide. Het bestreden arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 15 december 2017 kan daarom niet in stand blijven.