Conclusie
1
2opsomming gegeven van wat onder zwaar lichamelijk letsel wordt begrepen: “ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van zijn ambts- of beroepsbezigheden, en afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw” alsmede “storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken geduurd heeft”.
3Als algemene gezichtspunten voor die vraag kunnen blijkens die overwegingen in elk geval worden aangemerkt (i) de aard van het letsel, (ii) de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en (iii) het uitzicht op (volledig) herstel. De vaststelling aan de hand van deze gezichtspunten of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, zal vaak worden gegrond op gegevens van medische aard. Wat de aard van het letsel betreft, overweegt de Hoge Raad dat uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat, buiten de in art. 82 Sr Pro genoemde gevallen, ook het verlies van het gebruik van een zintuig, verminking en verlamming als zwaar lichamelijk letsel zijn te beschouwen. Een (bot)fractuur vormt in de regel zwaar lichamelijk letsel indien operatief ingrijpen van een zekere ernst is vereist. Maar relevant medisch ingrijpen kan ook bestaan uit een andere medische behandeling dan operatief ingrijpen. Wat het uitzicht op herstel betreft, kan ook sprake zijn van zwaar lichamelijk letsel indien het letsel gepaard gaat met een langere periode van herstel of van onzekerheid over de mogelijkheid en mate van herstel. Van belang kan zijn in hoeverre tijdens die periode sprake is van pijn en/of fysieke beperkingen. In de beoordeling kan eveneens worden betrokken of restschade aanwezig is. Bij littekens kunnen van belang zijn het uiterlijk en de ernst van het litteken en daarmee samenhangend de mate waarin dat litteken het lichaam ontsiert, en eventueel of in verband met dat litteken – langdurige – pijnklachten (hebben) bestaan.
4
5Van een dergelijk geval is in casu geen sprake. Hoewel het hof geen expliciete bewijsoverweging heeft gewijd aan het letsel, blijkt uit de in de aanvulling op het arrest opgenomen bewijsmiddelen dat het slachtoffer een in- en uitschotwond van een kogel had, die kogel een breuk in de schedel heeft veroorzaakt, de wond aan de zijkant van het hoofd van het slachtoffer er lelijk uitziet (een deuk, een zwart gat waar het vlees is weggeslagen) en het slachtoffer ongeveer drie maanden niet heeft kunnen werken. Uit de strafmaatoverwegingen in het arrest kan voorts worden afgeleid dat het hof er – kennelijk en niet onbegrijpelijk – van uit is gegaan dat de verwondingen aan het gezicht “niet restloos” zullen herstellen. Anders dan de steller van het middel lijkt te betogen, hoeft van een uitzichtloze situatie geen sprake te zijn. Evenmin volg ik de steller van het middel in het standpunt dat, gezien de aard van het ingrijpen in deze zaak en in het bijzonder gezien het gebrek aan operatief ingrijpen, er in cassatie van moet worden uitgegaan dat sprake was van een herstelperiode zonder onzekerheid en pijn en/of fysieke beperkingen. Mede gelet op de aard van het letsel, de omstandigheid dat het slachtoffer ongeveer drie maanden niet heeft kunnen werken, de locatie van de verwondingen en de mate waarin een daarmee gepaard gaand litteken het lichaam ontsiert, geeft de bewezenverklaring van zwaar lichamelijk letsel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en behoefde niet nader te worden gemotiveerd.