Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
7 januari 2020.
Hoge Raad
In deze zaak stond een schietincident te Utrecht op 21 februari 2016 centraal waarbij de verdachte werd veroordeeld voor zwaar lichamelijk letsel door schuld, handelen in strijd met de Wet Wapens en Munitie en opzetheling. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
De Hoge Raad beoordeelde de ingebrachte cassatiemiddelen en verwierp de meeste klachten zonder nadere motivering, conform artikel 81 lid 1 RO Pro. Wel oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de uitspraak meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep volgde.
Hierdoor werd de strafmaat als opgelegd door het hof vernietigd en verminderd tot een gevangenisstraf van elf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het overige beroep werd verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 7 januari 2020.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd tot elf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk wegens overschrijding van de redelijke termijn.