Conclusie
1.Inleiding
2.Bespreking van het cassatiemiddel
middel 1), de uitleg van een brief over de betaling van de advocaatkosten (
middel 2), de vraag of een mondelinge vaststellingsovereenkomst over deze kosten is gesloten (
middel 3) en het beroep van Flügel Enterprises op artikel 6:140 lid 3 BW Pro (
middel 4).
vergoeding kosten rechtsbijstand inzake het FIOD onderzoek mbt. Flügel. De bewoordingen van deze brief ondersteunen de stelling van [verweerder] dat tussen partijen is overeengekomen dat zij zouden proberen gebruik te maken van de vergoedingsmogelijkheid van artikel 591a Sv indien de zaak zonder straf zou eindigen en dat [verweerder] de advocaatkosten slechts aan Flügel Enterprises terug zou betalen indien hij deze kosten in een artikel 591a Sv procedure zou terugkrijgen. In deze brief staat vermeld dat Helling I voor de goede orde de eerder gemaakte afspraak bevestigt dat Helling I de kosten van de door [verweerder] gekozen advocaat voor haar rekening zal nemen. Het slot van de brief bevat de afspraak dat voor het geval de rechter aan [verweerder] een lagere vergoeding toekent dan de advocaatkosten, Helling I het verschil voor haar rekening zal nemen. De afspraak dat in geval van een lagere vergoeding het verschil voor rekening van Helling I komt, valt niet te rijmen met de stelling van Flügel Enterprises dat zou zijn afgesproken dat de proceskosten voor rekening van [verweerder] komen. De brief van 16 oktober 2004 is in begrijpelijke taal geformuleerd en niet is toegelicht waarom de strekking voor Mosterd en Groenewegen niet duidelijk zou zijn geweest.”
onderdelen 1 en 2 van middel 1strekken ertoe dat het hof in rov. 9 TA heeft miskend dat de bewijslast op [verweerder] rust en dat Flügel Enterprises niet de bewijslast draagt van hetgeen zij ter gemotiveerde betwisting van de stellingen van [verweerder] naar voren heeft gebracht, wat betreft: (i) de betaling van het bedrag van € 115.597,85 door Helling I ten behoeve van hem aan Simmons & Simmons advocaten in 2003-2006; (ii) het niet hoeven terugbetalen aan Helling I dan wel Flügel Enterprises; (iii) de inhoud en strekking van de brief van 16 oktober 2004; en (iv) de stelling dat de door Helling I betaalde facturen ter hoogte van € 115.597,85 zien op werkzaamheden bedoeld in de brief van 16 oktober 2004.
onderdeel 3 van middel 1is het hof voorbijgegaan aan twee essentiële stellingen van Flügel Enterprises, namelijk (i) dat het gaat om in de jaarcijfers van de N.V. verwerkte privébetalingen door Helling I aan [verweerder] en (ii) dat onduidelijk is voor welke werkzaamheden de facturen van € 115.597,85 betaald werden.
onderdeel 1 van middel 2heeft het hof de Haviltexnorm miskend respectievelijk onvoldoende onderkend dat gedragingen, actieve handelingen en/of stilzitten, ook rechtshandelingen (kunnen) zijn, die bij uitleg relevant (kunnen) zijn.
onderdeel 2 van middel 2zijn de bestreden rechtsoverwegingen onbegrijpelijk gemotiveerd ten aanzien van de stellingen van Flügel Enterprises, samengevat, (i) dat na iedere betaling door Helling I aan Simmons & Simmons ten behoeve van [verweerder] een onvoorwaardelijke vordering van Helling I op [verweerder] ontstond, net als bij de andere DGA’s, zoals blijkt uit de rekening-courantverhouding; (ii) dat in de aandeelhoudersvergaderingen de brief van 16 oktober 2004 onvermeld bleef en daarin steeds besluiten zijn genomen tot een onvoorwaardelijke vordering op elke DGA, zoals blijkt uit de rekening-courantverhouding tussen de DGA’s en Helling I; (iii) dat [verweerder] niet heeft geprotesteerd tegen de onvoorwaardelijke rekening-courantsaldivaststellingen; en (iv) dat er geen afdracht van loonbelasting is geweest in verband met de brief van 4 oktober 2004.
onderdeel 2 van middel 2(en kennelijk ook de toelichting bij
middel 2 onder C onder 6) herhaalt de klacht van middel 1 dat het hof ten onrechte [verweerder] niet met het bewijs heeft belast.
middel 2 onder C onder 4 onder 5klaagt over de begrijpelijkheid van de derde volzin van rov. 15 TA: onduidelijk is of het hof bedoelt dat de rekening-courant valselijk is opgemaakt om te doen alsof Helling I betaald had ten behoeve van [verweerder] en daarom een vordering op [verweerder] had, of dat sprake was van een rekening-courantsaldo dat teniet zou gaan, indien de uitspraak in de artikel 591a Sv-zaak een bepaalde uitkomst zou hebben.
middel 2 onder C onder 5klaagt over de bewijswaardering: het hof zou zich in het eindarrest ten onrechte hebben beperkt tot een waardering van het getuigenbewijs.
onderdeel 3 van middel 3 (er zijn geen onderdelen 1 en 2) heeft het hof miskend dat of overeenstemming over een of meer onderdelen een overeenkomst doet ontstaan zolang omtrent andere onderdelen nog geen overeenstemming bestaat, afhankelijk is van de bedoeling van partijen zoals deze op grond van de betekenis van hetgeen wel en niet geregeld is, van het al dan niet bestaan van het voornemen tot verder onderhandelen en van de verdere omstandigheden van het geval.
onderdeel 4 van middel 3zijn de bestreden rechtsoverwegingen onbegrijpelijk gemotiveerd ten aanzien van de stellingen van Flügel Enterprises, samengevat, (i) dat partijen bij het op 3 mei 2007 gevoerde mondeling overeenstemming bereikten op een aantal deelpunten van hun geschil, waaronder de pensionering van [verweerder], het opstellen van een bericht naar aanleiding van zijn vertrek, en de terugbetaling door hem van de advocaatkosten en (ii) dat partijen herhaaldelijk hebben bevestigd dat op deelaspecten afspraken waren gemaakt.
dat met [verweerder] is afgesprokendat Helling I (bij wijze van lening) de advocaatkosten van [verweerder] zou voorschieten en
dat [verweerder] deze(in rekening-courant ten laste van hem geboekte)
kosten aan Helling I zou terug betalen.” (cursivering toegevoegd; AG)
onderdeel 1 van middel 4heeft het hof miskend dat ingeval de wederpartij niet binnen redelijke tijd tegen het medegedeelde saldo van de rekening-courantverhouding protesteert, dit als tussen partijen vastgesteld geldt.
onderdelen 2 en 3 van middel 4miskent het oordeel het strenge en tot terughoudende toepassing nopende karakter van de maatstaf van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.
onderdeel 4 van middel 4getuigt het oordeel dat het protest van [verweerder] tegen de rekening-courantschuld voldoende tijdig te achten is, van een onjuiste rechtsopvatting.
onderdeel 5 van middel 4zijn de bestreden rechtsoverwegingen onbegrijpelijk gemotiveerd in het licht van de stellingen van Flügel Enterprises (i) dat de rekening-courant € 115.597,85 aan betalingen door Helling I aan Simmons & Simmons ten behoeve van [verweerder] vermeldde zonder voorwaarden, beperking of voorbehoud en (ii) dat er geen verklaring is gegeven voor de duur tussen de hofuitspraak in de artikel 591a-procedure en het voor de eerste maal klagen.
onderdelen 1 tot en met 3 van middel 4stuiten hierop af.
onderdelen 4 en 5 van middel 4. De klachten maken niet duidelijk waarom dit oordeel zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting. Evenmin kan het oordeel onbegrijpelijk worden genoemd. Uit de stellingen van [verweerder], waarnaar het hof verwijst, blijkt waarom de rekening-courant geen voorwaarden, beperking of voorbehoud ten aanzien van de advocaatkosten vermeldde. Voorts heeft het nog gemotiveerd waarom [verweerder] tijdig heeft geprotesteerd, gelet op zijn betwisting van de rekening-courantschuld naar aanleiding van de brief van Flügel Enterprises van 16 november 2011.
Middel 4 (slot)klaagt nog dat het hof ten onrechte [verweerder] geen bewijs heeft opgedragen van de omstandigheden waarop hij een beroep deed ter onderbouwing van zijn door het hof in rov. 20 TA beoordeelde stellingen.