Conclusie
Mr. P. Vlas
forum necessitatis), omdat de vorderingen onvoldoende zijn verbonden met de Nederlandse rechtssfeer (rov. 4.13).
2.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
3.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
Kalfelis/Schröder). [19] Het Hof heeft beslist dat voor de toepassing van art. 6 sub Pro 1 EEX-Verdrag er tussen de verschillende rechtsvorderingen die door een zelfde verzoeker tegen verschillende verweerders zijn ingesteld, ‘een zodanig verband moet bestaan dat het van belang deze tezamen te berechten, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare uitspraken worden gedaan’.
Kalfelis/Schrödernog gesproken van ‘onverenigbare uitspraken’, uit latere rechtspraak van het HvJEU volgt dat het moet gaan om ‘tegenstrijdige’ beslissingen, waarbij de tegenstrijdigheid zich moet voordoen in ‘eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens’. [20] De eis dat sprake moet zijn van eenzelfde juridische situatie is genuanceerd in het arrest
Freeport/Arnoldsson. [21] Deze zaak betrof vorderingen tegen twee gedaagden, waarvan de ene vordering op wanprestatie en de andere op onrechtmatige daad was gebaseerd. Het Hof oordeelde dat deze verschillende grondslag op zichzelf niet betekent dat tussen de vorderingen geen samenhang bestaat. [22] In het arrest
Eva-Maria Painerheeft het Hof bevestigd dat ook sprake kan zijn van samenhang als op de verschillende vorderingen verschillend nationaal recht van toepassing is dat niet volledig is geharmoniseerd, waarbij van belang kan zijn dat het toepasselijke recht ‘in de hoofdzaak identiek’ is. [23] Hoewel het Hof zich nog niet nader heeft uitgesproken over de betekenis van de eis dat sprake moet zijn van ‘eenzelfde feitelijke situatie’, vloeit uit zijn rechtspraak voort dat voor samenhang niet is vereist dat de vorderingen op de verschillende gedaagden precies dezelfde feitelijke grondslag hebben. Wel zal tussen de gedragingen in zoverre een verband moeten bestaan dat het voor een opgeroepen gedaagde voorzienbaar was dat hij voor de rechter van de woonplaats van een medegedaagde zou worden opgeroepen, hetgeen niet het geval is als hij onafhankelijk van zijn medegedaagde(n) heeft gehandeld. [24]
geensamenhang bestaat. [28] Het hof mocht bij de toepassing van art. 7 lid 1 dus Pro betekenis toekennen aan de grondslag van de verschillende vorderingen van [eisers] Het onderdeel stuit hierop af.
nietsamenhangen met de vorderingen tegen de Nederlandse gedaagden. Volgens het subonderdeel zouden de beide oordelen dus onverenigbaar zijn.
forum necessitatis) heeft verworpen. Het onderdeel valt in drie subonderdelen uiteen.
forum necessitatiszich ook uitstrekt tot de vorderingen tegen [verweerder 2] . Ook klaagt het subonderdeel dat het hof zijn afwijzende oordeel in rov. 3.14 niet kon baseren op het gegeven dat in Moldavië is geprocedeerd, nu die procedures niet zagen op schadevergoeding en bovendien beïnvloed zijn door corruptie en machtsmisbruik. Evenmin kon het hof dit oordeel baseren op het gegeven dat in het Verenigd Koninkrijk en Cyprus is geprocedeerd, omdat het hof nader had moeten beoordelen of ook ter zake van de onderhavige vorderingen rechtsmacht zou bestaan in die twee landen, wat om verschillende redenen twijfelachtig is, aldus het subonderdeel.
forum necessitatisvan art. 9, aanhef en onder b en c, Rv faalt. Het middel miskent dat zowel het absolute
forum necessitatisvan art. 9, aanhef en onder b, Rv als het relatieve
forum necessitatisvan art. 9, aanhef en onder c, Rv terughoudend moeten worden toegepast. [34] Het hof heeft deze terughoudendheid in acht genomen door te oordelen dat [eisers] hun beroep op deze bevoegdheidsgronden nader hadden moeten onderbouwen in het licht van het feit, dat zij in andere landen dan Nederland hebben kunnen procederen. Het was immers aan [eisers] om gemotiveerd te stellen waarom geen andere dan de Nederlandse rechter voor hen redelijkerwijs bereikbaar was. [35] Dat de in die andere landen gevoerde procedures een ander karakter hadden dan de thans in Nederland aanhangige procedures, is daarvoor niet voldoende. [36] Het subonderdeel faalt derhalve.
4.Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel
Subonderdeel 1.1betoogt dat deze overweging onbegrijpelijk is, omdat daaruit volgt dat logischerwijs geen sprake kan zijn van eenzelfde feitelijke situatie.
Subonderdeel 1.2klaagt dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, nu juist niet voor de hand ligt dat sprake is van eenzelfde feitelijke situatie als op de vorderingen tegen beide partijen verschillend recht van toepassing zou zijn.
voor zoverde vorderingen van [eisers] op [verweerder 1] op art. 1 EP Pro EVRM en art. 5 EVRM Pro zijn gebaseerd. Het hof heeft dus niet overwogen dat alle vorderingen daarop zijn gebaseerd.
subonderdeel 2.1falen voor zover zij betrekking hebben op de door het hof aangelegde maatstaf. Voor zover het subonderdeel betoogt dat [eisers] geen nadeel zouden hebben ondervonden van de transacties in Nederland omdat de aandelen reeds anderhalf jaar eerder waren onteigend, geldt dat het hof een en ander niet heeft miskend. Het hof heeft daarover in rov. 3.8 overwogen dat deze door [verweerder 1] gestelde omstandigheden niet tot het oordeel leiden dat geen samenhang bestaat tussen de vorderingen op de verschillende gedaagden. De klachten van het subonderdeel falen dus.
omdatzij in hoger beroep gezamenlijk kunnen worden behandeld, maar geoordeeld dat zij inhoudelijk samenhangen, dat daaraan niet afdoet dat in eerste aanleg reeds vonnis is gewezen, en dat gezamenlijke behandeling in hoger beroep nog steeds mogelijk is.
subonderdelen 2.4 en 25bouwen op de voorafgaande klachten voort en delen het lot daarvan.