I. Zaaksdossier [B]
Ten laste van de veroordeelde is bewezenverklaard dat hij samen met een ander een van misdrijf afkomstig Rolexhorloge heeft verkocht en zich aldus aan witwassen schuldig heeft gemaakt. De verkregen opbrengst was € 8.500,-. Het horloge is verkocht ten behoeve van de veroordeelde en de mededader heeft verklaard dat de opbrengst daarvan naar de veroordeelde is gegaan. Het hof is derhalve van oordeel dat de verkoopopbrengst geheel aan de veroordeelde dient te worden toegeschreven.
Wederrechtelijk verkregen voordeel € 8.500,-.”
10. Alvorens ik tot bespreking van het middel overga, wil ik het volgende niet onopgemerkt laten. Het hof heeft toepassing gegeven aan artikel 36e, tweede lid, Sr. De opgelegde ontnemingsmaatregel strekt (onder meer) tot de ontneming van voordeel dat is verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde medeplegen van witwassen. Het voorwerp van het bewezenverklaarde witwassen is de Rolex. De verdachte heeft dit horloge samen met medeverdachte [betrokkene 1] voorhanden gehad en vervolgens verkocht op de Diamantbeurs. De bewezenverklaarde witwashandeling betreft het omzetten van dit voorwerp in een geldbedrag. De vraag dringt zich op of het hof niet nader had moeten motiveren waarom de betrokkene daadwerkelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dit misdrijf.Daarover wordt in cassatie echter niet geklaagd zodat ik dit punt verder zal laten rusten.
11. Dan kom ik nu toe aan de bespreking van het middel. Voor zover het middel klaagt dat het hof niet heeft gemotiveerd waarom het wederrechtelijk verkregen voordeel geheel aan de betrokkene kan worden toegerekend, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft immers overwogen dat het horloge is verkocht ten behoeve van de betrokkene en dat de mededader heeft verklaard dat de opbrengst daarvan naar de betrokkene is gegaan
.
12. Uit de toelichting blijkt echter dat het de steller van het middel meer in het bijzonder om het volgende gaat. Aangevoerd wordt dat het hof heeft bewezenverklaard dat de betrokkene
tezamen en in vereniging met een andereen Rolex heeft verkocht en zich aldus schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Uit de door het hof in de hoofdzaak van de rechtbank overgenomen bewijsmiddelen en bewijsoverweging kan bovendien worden afgeleid dat de medeverdachte [betrokkene 1] bij de politie heeft verklaard dat hij een vergoeding heeft ontvangen voor het verkopen van het Rolex-horloge. Onder die omstandigheden is het oordeel van het hof dat het wederrechtelijk verkregen voordeel geheel aan de betrokkene kan worden toegerekend onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd, aldus de toelichting op het middel.
13. Hoewel de betrokkene in de hoofdzaak inderdaad is veroordeeld voor het
medeplegenvan witwassen, heeft het hof het gehele wederrechtelijk verkregen voordeel bestaande uit de opbrengst van het Rolex-horloge, aan de betrokkene toegerekend. Zoals gezegd heeft het hof daartoe overwogen dat het horloge is verkocht ten behoeve van de veroordeelde en dat de mededader heeft verklaard dat de opbrengst daarvan naar de veroordeelde is gegaan
.
14. Ter inleiding. De ontnemingsmaatregel strekt ertoe om aan de veroordeelde het wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen dat hij in de concrete omstandigheden van het geval
daadwerkelijkheeft behaald.Indien de grootte van het wederrechtelijk voordeel op zichzelf vaststaat, maar meer personen samen van dit voordeel hebben geprofiteerd,staat de ontnemingsrechter (dus) voor de vraag hoe dit voordeel daadwerkelijk onder hen is verdeeld.
15. Niet altijd is aanstonds duidelijk wat de omvang is van het gedeelte van het voordeel dat de betrokkene afzonderlijk heeft verkregen. In dat geval rust op de ontnemingsrechter de taak om te bepalen welk gedeelte van het totale voordeel aan de betrokkene moet worden
toegerekend.
16. Overigens hoeft de ontnemingsrechter naar mijn inzicht niet steeds te onderzoeken op basis van welke sleutel het totale voordeel onder
allebegunstigden is verdeeld. Het gaat in een ontnemingszaak immers alleen om de omvang van de portie die is toegekomen aan degene tegen wie de ontnemingsprocedure aanhangig is, in die procedure doorgaans ‘de betrokkene’ of ‘de veroordeelde’ genoemd.
17. Bij het vaststellen van de omvang van het deel van het totale voordeel dat aan de betrokkene moet worden toegerekend neemt de ontnemingsrechter alle hem bekende omstandigheden van het geval in aanmerking, zoals de rol die de onderscheidene daders hebben gespeeld en het aantreffen van het voordeel bij één of meer van hen. Bieden de omstandigheden van het geval onvoldoende indicaties voor een andere verdeelsleutel, dan kan dat aanleiding zijn om uit te gaan van een pondspondsgewijze verdeling.Voor het antwoord op de vraag in hoeverre de rechter tot een nadere motivering van zijn oordeel is gehouden, komt gewicht toe aan de procesopstelling van de betrokkene.
18. De enkele omstandigheid dat uit de kwalificatie van hetgeen in de hoofdzaak ten laste van de betrokkene bewezen is verklaard volgt dat de betrokkene het feit niet alleen heeft gepleegd maar tezamen met een of meer anderen, behoeft er niet aan in de weg te staan dat de rechter het wederrechtelijk verkregen voordeel geheel aan de betrokkene toerekent.“
Onder omstandigheden is evenwel een nadere motivering vereist om een zodanige toerekening begrijpelijk te doen zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval indien, in verband met hetgeen door of namens de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, voldoende aanknopingspunten bestaan voor de aannemelijkheid dat het voordeel over meer daders moet worden verdeeld”, aldus overwoog de Hoge Raad.Met mijn ambtgenoot Bleichrodt meen ik dat uit de formulering die de Hoge Raad gebruikt, kan worden afgeleid dat de bedoelde aanknopingspunten niet uitsluitend hoeven te zijn ontleend aan hetgeen door of namens de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd. In dit verband kan ook aan de bewijsvoering in de hoofdzaak betekenis toekomen.Die bewijsvoering bevat immers de aan de ontnemingsrechter bekende – vaststaande – omstandigheden van het geval die door hem bij de toerekening in aanmerking genomen moeten worden.
19. Terug naar de voorliggende zaak. Tijdens de behandeling in hoger beroep heeft de raadsman van de betrokkene aangevoerd dat de betrokkene geen wederrechtelijke voordeel heeft verkregen. De betrokkene zou slechts met de medeverdachte zijn meegegaan en de medeverdachte zou het geld in ontvangst hebben genomen. In de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en nadere bewijsoverweging van het hof ligt de verwerping van dit verweer besloten. Bovendien noopte dit niet nader onderbouwde standpunt het hof naar mijn mening op zichzelf niet tot een nadere motivering.
20. Dit neemt niet weg dat de bewijsvoering in de hoofdzaak wel aanleiding geeft voor een nadere motivering van de verdeling van het totale voordeel. Immers, uit de bewijsvoering in de ontnemingsprocedure volgt weliswaar dat de medeverdachte het horloge ten behoeve van de betrokkene heeft verkocht en de opbrengst daarvan aan de betrokkene heeft overhandigd, uit de bewijsconstructie in de hoofdzaak kan worden afgeleid dat de medeverdachte voor het verkopen van het horloge een vergoeding heeft gekregen van de betrokkene. Gelet op deze omstandigheid mocht het hof er mijns inziens niet zonder meer van uitgaan dat de medeverdachte niets van de opbrengst van de verkoop van het Rolex-horloge heeft ontvangen. In het licht van de op medeplegen toegesneden bewezenverklaring en kwalificatie in de hoofdzaak, in combinatie met de bewijsvoering in de hoofdzaak, meen ik dat het oordeel van het hof dat het wederrechtelijk verkregen voordeel volledig aan de betrokkene moet worden toegerekend niet zonder meer begrijpelijk is en nadere motivering behoeft.
21. Het eerste middel slaagt.
22. Het
tweede middel, dat klaagt over de schending van de inzendtermijn, is naar ik meen terecht voorgesteld maar behoeft geen nadere bespreking nu het tijdsverloop bij de nieuwe behandeling van de zaak door het hof aan de orde kan worden gesteld.
23. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
24. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande beroep opnieuw kan worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden