Conclusie
Nummer18/00222
eerste middelklaagt ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde feit dat het niet naar de eis der wet met redenen is omkleed en dat het hof ten onrechte, dan wel onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen het namens de verdachte gevoerde verweer inhoudende dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als feitelijk leidinggever.
Ten aanzien van feit 1
hierna: [A]) niet binnen de daarvoor gestelde termijn aangiften omzetbelasting heeft gedaan.
Pas nadat is vastgesteld dat een rechtspersoon een bepaald strafbaar feit heeft begaan, komt aan de orde of iemand als feitelijke leidinggever daarvoor strafrechtelijk aansprakelijk is. Bij de beoordeling daarvan moet worden vooropgesteld dat uit de taalkundige betekenis van het begrip feitelijke leidinggeven enerzijds voortvloeit dat de enkele omstandigheid dat de verdachte bijvoorbeeld bestuurder van een rechtspersoon is, niet voldoende is om hem aan te merken als feitelijke leidinggever aan een door die rechtspersoon begaan strafbaar feit. Maar anderzijds is een dergelijke juridische positie geen vereiste, terwijl ook iemand die geen dienstverband heeft met de rechtspersoon feitelijke leidinggever kan zijn aan een door de rechtspersoon begaan strafbaar feit.
Van feitelijke leiding geven aan een verboden gedraging begaan door een rechtspersoon is sprake indien de verdachte maatregelen ter voorkoming van die gedraging achterwege laat, hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden is. De bevoegdheid tot ingrijpen bestaat indien de verdachte feitelijke zeggenschap heeft over de gedraging die de rechtspersoon wordt geacht te hebben verricht. Een formele relatie met de rechtspersoon is echter geen vereiste. De tweede voorwaarde voor feitelijke leidinggeven houdt in dat verdachte bewust de aanmerkelijk kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen en zo opzettelijk de verboden gedraging bevordert.”
tweede middelklaagt ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde feit dat het niet naar de eis der wet met redenen is omkleed en dat het hof ten onrechte, dan wel onbegrijpelijk heeft verworpen het namens de verdachte gevoerde verweer inhoudende dat niet bewezen kan worden dat het feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.
opmerking hof: uit de context blijkt dat de Bentley II en Ferrari worden bedoeld).
opzettelijkonjuist of onvolledig aangifte is gedaan en dat het hof niet heeft gereageerd op het verweer dat vrijspraak moet volgen, aangezien niet bewezen verklaard kan worden dat er te weinig belasting werd geheven.
opzettelijkonjuist of onvolledig aangifte heeft gedaan, noch dat verdachtes opzet op het doen van die onjuiste of onvolledige aangifte zag. Het hof heeft hieromtrent in zijn arrest overwogen dat (i) blijkt dat [E] opzettelijk onjuist en onvolledig aangifte heeft gedaan en dat (ii) de verdachte als bestuurder van [E] daarvoor verantwoordelijk was en wist dat de auto’s verkocht waren en dat omzetbelasting over die verkopen diende te worden afgedragen. Ten aanzien van het opzet van de verdachte stelt het hof vast dat de verdachte heeft verklaard dat de eerder genoemde [betrokkene 2] in zijn opdracht de [E] facturen opmaakte en de aangifte indiende. De verdachte wist volgens het hof voorts ook dat de auto’s verkocht waren en dat hij omzetbelasting over die verkopen diende af te dragen. In de kern klaagt het middel dat niet blijkt waarop die ‘opzet-overwegingen’ ten aanzien van de verdachte op het doen van de onjuiste of onvolledige aangifte is gestoeld. Die klacht is gebaseerd op een onvolledige lezing van het arrest. Alleen al uit de in de aanvulling op het arrest opgenomen bewijsmiddelen 30 - 33 en de tapgesprekken tussen [betrokkene 2] en de verdachte, blijkt dat de verdachte met hem over de koop en verkoop van de Bentley en de Ferrari spreekt en dat de verdachte die [betrokkene 2] de opdracht geeft om hieromtrent facturen op te maken. Ook verklaart de verdachte bij het zien van de bijschrijving aan [E] van € 180.000,-- op 10 juli 2007 door [F] dat dit een betaling van [F] auto’s betreft ten aanzien van de Bentley en dat een betaling van € 74.000 aan [E] op 16 juli 2007 door [F] op de Ferrari ziet (zie bewijsmiddel 38). Ten aanzien van het opzet van [E] geldt dat het opzet van de verdachte, als bestuurder van [E] , aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Resumerend acht ik het oordeel van het hof dat sprake was van opzet op het doen van onjuiste of onvolledige aangifte door [E] waarvoor verdachte als bestuurder verantwoordelijk was, dan ook niet onbegrijpelijk. Ook in zoverre faalt het middel.
derde middelklaagt over de omvang van het hoger beroep en de strafoplegging.
“De bezwaren tegen het vonnis [..] zich met name [richten] tegen de bewezenverklaringen onder feit 1 en feit 2. De verdediging is voornemens bij aanvullende akte het appel tot deze twee feiten te beperken”;
“Strafmaat
“Ontvankelijkheid en omvang van het hoger beroep
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar aan de griffie van de
Rechtbank Gelderland, locatie Arnhem” en verzoekt hij nogmaals om toezending van dit stuk;
nadathet onderzoek ter terechtzitting op 21 september 2016 is aangevangen en moet het er voor worden gehouden dat de akte tijdig – en dus vóór aanvang van het onderzoek ter terechtzitting – is opgemaakt. Met andere woorden: uit de stukken van het geding blijkt niet van enige omstandigheid waaraan het vermoeden zou kunnen worden ontleend dat de “akte partiële intrekking” niet kan gelden als een gedeeltelijke intrekking van het hoger beroep. Het hof heeft het onder 6 tenlastegelegde feit achteraf bezien dan ook onder meer ten onrechte betrokken bij (de motivering van) zijn strafoplegging. Het derde middel is terecht voorgesteld.