Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis. Tevens heeft het hof de teruggave gelast van een in beslag genomen geldbedrag, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.
middelbehelst de klacht dat het hof, door op onjuiste dan wel onbegrijpelijke gronden te oordelen dat het ‘strotten’ van de verdachte louter kon worden gebaseerd op artikel 8 Politiewet Pro 1993, het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting op de voet van artikel 359a Sv ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
Het hof is van oordeel dat, gelet op het gevaar voor de verdachte zelf bij het doorslikken van wellicht een hoeveelheid bolletjes met verdovende middelen, de verbalisant bevoegd was – gelet op het bepaalde in artikel 8 Politiewet Pro 1993 – geweld tegen de verdachte te gebruiken, welk gebruikte geweld naar het oordeel van het hof gelet op de aard en de omstandigheden van het onderhavige geval noodzakelijk en niet als disproportioneel is aan te merken. Gesteld noch gebleken is dat het gebezigde geweld bij de verdachte enig letsel heeft veroorzaakt, terwijl voorts niet valt in te zien dat het doel – het voorkomen dat de verdachte zichzelf in gevaar zou brengen – op een andere en minder vergaande wijze bereikt had kunnen worden. Derhalve is er naar het oordeel van het hof geen sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, zodat voor bewijsuitsluiting geen plaats is.”
NJ2004/332, en HR 12 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3496,
NJ2010/177 m.nt. Buruma.
NJ2004/332 bestonden tegen de verdachte ernstige bezwaren in de zin van artikel 9, tweede lid, Opiumwet die een onderzoek aan kleding en lichaam van de verdachte rechtvaardigden. [3] Toen vervolgens de indruk bestond dat de verdachte vermoedelijk bolletjes met harddrugs trachtte door te slikken, mocht hij, aldus het hof, bij de keel worden gepakt teneinde het doorslikken van de mondinhoud te voorkomen. Niet aannemelijk was geworden dat de verbalisanten daarbij meer geweld hebben toegepast dan nodig was, zo oordeelde het hof vervolgens. ‘s Hofs oordeel getuigde volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting. Evenmin was het onbegrijpelijk. Ik merk hierbij op dat de Hoge Raad, waar het hof artikel 9, tweede lid, Opiumwet aanhaalde, expliciet verwees naar artikel 9,
derde lid(oud), [4] Opiumwet als grondslag voor de bevoegdheid van de verbalisanten om de verdachte te verzoeken zijn mond te openen en hetgeen hij daarin bewaarde uit te spugen.
NJ2010/177 m.nt. Buruma, bracht de verdachte bij zijn aanhouding wegens een vermoeden van overtreding van de Opiumwet onmiddellijk zijn kin naar zijn borst en begon te slikken. Hierop riep de verbalisant dat de verdachte de (vermoedelijk aanwezige) verdovende middelen moest uitspugen. Hij deed zijn arm om de nek van de verdachte en voelde dat de verdachte nog steeds probeerde te slikken, waarna de verbalisant de nek omklemde en nogmaals riep dat de verdachte zijn mondinhoud moest uitspugen. De verdachte spuugde hierop verschillende kleine witte bolletjes op de grond. Later bleken dit bolletjes cocaïne te zijn. Het hof overwoog het volgende:
mede) met het oog de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde, maar op
uitsluitendde in artikel 3 Politiewet Pro 2012 verankerde hulpverleningstaak van de politie.
eerstelijnsorganisatie die tijdelijk de eerste opvang doet indien dit dringend is totdat de hulpverlening het overneemt.” Iedereen die werkelijk hulp behoeft wanneer andere hulpverleningsorganisaties ontbreken moet derhalve uiteindelijk een beroep kunnen doen op de politie. [12]
NJ2010/177 m.nt. Buruma, staat mijn ambtgenoot Knigge ook stil bij de vraag of de politie hulp mag verlenen tegen de wil van de hulpbehoevende in en daarbij (gepast) geweld mag toepassen:
medegezien het gevaar voor verdachte zelf bij het door slikken van een hoeveelheid bolletjes met kennelijk verdovende middelen”
,de verbalisant bevoegd was geweld tegen de verdachte te gebruiken. Voorts viel volgens het hof niet in te zien
“dat hetdoel – uitlevering van de bolletjes met kennelijk verdovende middelen– op een andere minder vergaande wijze bereikt had kunnen worden”. Op eenzelfde manier oordeelde het hof in HR 25 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6422.
niet zelfstandigten grondslag gelegd aan het oordeel dat de politie bevoegd was (gepast) geweld tegen de verdachte te gebruiken. De noodzaak tot hulpverlening stond volgens de hoven naast het doel om de uitlevering van de bolletjes ex artikel 9, derde lid, Opiumwet mogelijk te maken, teneinde tot de inbeslagneming daarvan te kunnen overgaan. Beide oordelen werden door de Hoge Raad in stand gelaten.
zelfstandiggebaseerd op de noodzaak tot afwending van het gevaar voor de verdachte zelf bij het doorslikken van de bolletjes met (vermoedelijk) verdovende middelen.