ECLI:NL:HR:2004:AO5819
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- G.J.M. Corstens
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot met proportioneel geweld openen van vuist bij inbeslagneming bevestigd
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, waarin verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met het verbod van de Opiumwet. De verdachte stelde dat het bewijs onrechtmatig was verkregen omdat hij werd gefouilleerd zonder dat er een redelijk vermoeden van schuld bestond. Het hof oordeelde echter dat er ernstige bezwaren waren op grond van artikel 9, lid 2, van de Opiumwet en dat het fouilleren en het openen van de vuist van de verdachte rechtmatig was.
De Hoge Raad overweegt dat de bevoegdheid tot inbeslagneming ook het recht omvat om, indien nodig met proportioneel geweld, de vuist van de betrokkene te openen. Dit wordt niet aangemerkt als een onderzoek aan het lichaam of de kleding. Het middel van de verdachte dat het bewijs onrechtmatig is verkregen, faalt omdat het verweer onvoldoende feitelijke grondslag heeft en het hof terecht het handelen van de verbalisanten als rechtmatig heeft beoordeeld.
Daarmee wordt het cassatieberoep verworpen en blijft de veroordeling van de verdachte tot vijf weken gevangenisstraf in stand. De uitspraak bevestigt de grenzen en reikwijdte van de bevoegdheden van opsporingsambtenaren bij inbeslagneming en fouillering in het kader van de Opiumwet.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot vijf weken gevangenisstraf blijft in stand.